Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Savi's woelmuis

Savi's woelmuis | Microtus savii

Savi's Pine Vole | Topillo De Savi

Savi's woelmuis is een ondergronds levende woelmuis van het Italiaanse schiereiland en een van de algemeenste zoogdieren van het Italiaanse boerenland. In de fruitteelt geldt de soort als een belangrijke schadeveroorzaker. Ze is genoemd naar Paolo Savi, de natuuronderzoeker uit Pisa uit wiens omgeving het type afkomstig is. Omdat het dier vrijwel alleen onder de grond leeft, wordt het zelden gezien.

Savi's woelmuis (Microtus savii)
Foto: Francesco Cecere — CC0 · Wikimedia Commons

Sporen

Gangen en hoopjes zijn beter te vinden dan het dier zelf. De soort graaft rechte gangen op 10 tot 50 cm diepte met meerdere uitgangen en werkt de grond naar boven, waar die in kleine, losse hoopjes fijne aarde komt te liggen: veel kleiner en platter dan een molshoop, die hoog en kegelvormig is en uit kluiten bestaat, en zonder de zijdelingse gangopening van een woelratshoop. De gaten zijn rond, twee tot drie centimeter wijd, glad uitgesleten, liggen in groepjes bij elkaar en worden vaak met aarde dichtgeschoven. Vrijwel al het eten gebeurt binnen tien centimeter van een uitgang: rond de gaten staan afgeknaagde stengels van gelijke lengte, en in het gras liggen kleine hoopjes afgesneden groen. In boomgaarden en wijngaarden is schade het duidelijkste spoor: geschilde en doorgeknaagde wortels van jonge fruitbomen, waardoor een boom in het voorjaar scheefzakt of afsterft, en in moestuinen uitgeholde knollen, bollen en bieten. De keutels zijn vier tot zes millimeter lang, cilindrisch met stompe uiteinden, groenzwart als ze vers zijn, en liggen in kleine latrines in de gang of vlak bij een uitgang. Braakballen van kerkuil en bosuil uit de Povlakte bevatten veel resten van deze soort; de platte, in zigzagprisma's gevouwen kiezen zijn woelmuiskiezen, en welke ondergrondse woelmuis het betreft, blijkt pas uit de vorm van de eerste onderkies onder een loep.

Herkenning

Een kleine, gedrongen woelmuis met de bouw van een graver: bolle kop, korte snuit, korte ronde oren die grotendeels in de vacht verdwijnen en een korte staart van 2,4 tot 3 cm, ruwweg een kwart van de kop-romplengte. De ogen zijn klein, maar minder sterk gereduceerd dan bij de andere ondergrondse woelmuizen. De vacht is kort, dicht en zacht, grijsbruin tot okerbruin op de rug en asgrijs op de buik, zonder scherpe grens op de flank; de zomervacht is dunner en geler dan de wintervacht. Vrouwtjes hebben vier tepels in twee liesparen. Mannetjes en vrouwtjes zijn even groot. Aanpassingen aan het graven zijn de brede voorpoten, de stevige klauwen en een vacht die in alle richtingen strijkbaar is, net als bij de mol.

Gelijkende soorten

Uitwendig is de soort niet van de andere ondergrondse woelmuizen te onderscheiden; de vindplaats is bepalend. In het uiterste zuiden van het schiereiland, ruwweg vanaf Campanië en Basilicata, komt de Calabrische woelmuis (Microtus brachycercus) voor, op Sicilië de Siciliaanse woelmuis (M. nebrodensis); beide zijn op grond van gebit en chromosomen van Savi's woelmuis afgesplitst en in het veld niet te herkennen. In de westelijke Alpen en het Alpenvoorland leeft Fatio's woelmuis (M. multiplex), met een duidelijk langere staart, in de zuidoostelijke Alpen de ondergrondse woelmuis en Liechtensteins woelmuis. Op het Iberisch Schiereiland zijn de Mediterrane woelmuis en de Lusitaanse woelmuis de ondergrondse woelmuizen, met dezelfde determinatieproblemen. In het veld is wel het onderscheid te maken met de bovengronds levende woelmuizen: veldmuis en aardmuis hebben grotere ogen, duidelijk zichtbare oren en een langere staart en gebruiken wissels in de grasmat in plaats van gangen, en de rosse woelmuis heeft een roodbruine rug, uitpuilende ogen en een staart van de halve lichaamslengte. Een woelmuis met zeer kleine ogen die in Midden- of Noord-Italië in een gat in een akker verdwijnt, is op grond van de vindplaats tot deze soort te rekenen.

Leefgebied

Boerenland met graafbare grond: weiden, hooiland, akkers, moestuinen, boomgaarden, wijngaarden, wegbermen, dijken en tuinen, en daarnaast uiteenlopende bostypen met een gesloten kruidlaag. De soort vereist een diepe, vochtige, goed doorlatende bodem onder een dichte begroeiing; steenachtige en uitgesproken droge grond wordt gemeden. Ze komt voor van zeeniveau tot ongeveer 2800 meter en leeft vrijwel geheel onder de zode.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het Italiaanse schiereiland van de Povlakte naar het zuiden, met in Zwitserland een uitloper in Ticino en het oostelijke deel van Wallis, en een smalle strook aan de Franse Middellandse Zeekust. In het uiterste zuiden en op Sicilië wordt de soort vervangen door de Calabrische en de Siciliaanse woelmuis; op Sardinië en Corsica ontbreekt ze. Ze ontbreekt ook op het Iberisch Schiereiland, waar de Mediterrane en de Lusitaanse woelmuis voorkomen zonder contact met haar areaal, in de Lage Landen, waar in Zuid-Limburg alleen de ondergrondse woelmuis leeft, en op de Britse Eilanden, waar geen enkele ondergrondse woelmuis voorkomt.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Het activiteitsritme is polyfasisch: korte perioden van eten en graven, afgewisseld met korte rustperioden, het hele etmaal door, en het verandert nauwelijks met de seizoenen; in totaal is het dier ongeveer een derde van de tijd actief. In de winter is in Italiaans akkerland vastgesteld dat de soort vooral overdag bovengronds komt, en dat de weinige nachtelijke uitstapjes op donkere nachten vallen; bij helder maanlicht blijft ze onder de grond, wanneer uilen en vos het best jagen. Ze is strikt plantenetend en eet vooral grassen, vlinderbloemigen, composieten en ganzenvoetachtigen, aangevuld met wortels en in de winter met bast. De voortplanting loopt van maart tot november, met een piek in voorjaar en zomer; na 22 tot 24 dagen dracht worden gemiddeld 2,5 jongen geboren, en een vrouwtje is na ongeveer vijftig dagen zelf vruchtbaar. Het leefgebied meet ongeveer 445 vierkante meter voor een mannetje en 298 voor een vrouwtje. Een gangenstelsel wordt gedeeld door een groep van één tot drie vrouwtjes met meerdere mannetjes en hun jongen, en dat gebied wordt tegen buren verdedigd. De soort houdt geen winterrust en blijft onder sneeuw en bij vorst actief.

Waar en wanneer kijken

Zoek naar het gangenstelsel, niet naar het dier. In februari en maart, wanneer de akkers in de Povlakte en in Toscane kaal liggen, zijn de hoopjes verse aarde en de dichtgeschoven gaten goed zichtbaar op de gladde grond; licht een graspol op en volg het uitgesleten paadje naar de opening. In een oude boomgaard wijst een jonge boom die zonder zichtbare oorzaak scheef staat of verwelkt meestal op geknaagde wortels. Omdat de soort overdag bovengronds komt, kun je op een winterochtend een half uur stil bij een groepje gaten zitten: het dier komt kort naar buiten, knipt binnen een handbreedte van de opening wat groen af en verdwijnt weer.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016). In grote delen van Italië is de soort algemeen in het cultuurlandschap, met dichtheden van minder dan vijftig dieren per hectare in de zomer tot meer dan honderd in het voorjaar. De aandacht gaat daarom uit naar schade: in boomgaarden, wijngaarden en op akkers wordt ze bestreden, vroeger met gif en tegenwoordig vaker door het landschap zo in te richten dat uilen, wezels en vossen de aantallen beperken, met zitstokken langs de percelen, brede randen en minder kaalslag. De soort draagt bij aan de doorluchting van de bodem en is een hoofdprooi van vrijwel alle roofdieren in het Italiaanse boerenland.

Wetenschappelijke naam

Microtus savii | (de Sélys-Longchamps, 1838)

De Sélys-Longchamps beschreef de soort in 1838 als Arvicola Savii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. savii eert de Italiaanse natuuronderzoeker Paolo Savi (1798–1871), hoogleraar te Pisa, die de soort zelf al had opgemerkt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië, Pisa.