Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Microtus rozianus

Microtus rozianus | Microtus rozianus

Portuguese Field Vole | Microtus rozianus

Microtus rozianus is een bovengronds levende woelmuis uit de aardmuisgroep, geen ondergrondse woelmuis. De soort behoort tot het verwantschapscomplex van Microtus agrestis en niet tot de Iberische gravende woelmuizen. Het is de Portugese en Galicische lijn van dat complex, die zich ongeveer 220.000 jaar geleden afsplitste en sindsdien op het Iberisch Schiereiland is gebleven. De soort heeft geen Nederlandse naam en gold tot voor kort als ondersoort; de soortstatus berust op genoomgegevens, niet op een uitwendig kenmerk.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

De soort leeft bovengronds; het spoorbeeld is daarom dat van de aardmuis en niet dat van de gravende woelmuizen in hetzelfde gebied. In ongemaaid, pollig, vochtig grasland ligt onder de zode het wisselstelsel: uitgebreide, geveegde looppaadjes van drie tot vier centimeter breed, door de vegetatie en niet in de grond, kaalgelopen tot op het wortelvilt. Gangen in de grond blijven oppervlakkig, en aardhoopjes worden nauwelijks gemaakt; rijen fijne hoopjes met afgesloten ingangen wijzen op de Baskische of de Provençaalse woelmuis. In de wissels liggen afgeknipte grasstengels: schuin afgebeten stukjes van twee tot vijf centimeter in hoopjes langs de kant. De keutels zijn vier tot zeven millimeter lang, cilindrisch met stompe uiteinden, vers grasgroen en later bruin, in kleine latrines op vaste plekken in de wissel. In de bergen liggen na de dooi de winternesten van fijngeknipt gras als bollen op het veld. Verder komt geknaagde bast voor aan de voet van jonge aanplant, vooral van den en eucalyptus, waar de soort als schadesoort geldt. Braakballen van kerkuil en velduil zijn de betrouwbaarste bron, maar leiden alleen tot de aardmuisgroep en niet tot de soort.

Herkenning

Een middelgrote, ruigharige woelmuis van het bovengrondse type: gedrongen bouw, stompe snuit, kleine oogjes en korte oren die net uit de vacht steken, en een staart van 2,5 tot 4,5 cm, ruwweg een derde van de kop-romplengte. De vacht is lang, zacht en dicht met duidelijke dekharen, waardoor het dier er ruig uitziet; dat is het duidelijkste verschil met de gladde, korte vacht van de veldmuis. Bruingrijs op de rug met lichtere flanken en een grijze onderzijde; de staart is goed behaard, tweekleurig en eindigt in een klein kwastje. Jonge dieren zijn grijzer dan volwassen. Het karyotype van de aardmuisgroep telt 50 chromosomen.

Gelijkende soorten

Tegenover de twee andere soorten van de aardmuisgroep is er geen onderscheidend kenmerk. Microtus agrestis in het noorden en Microtus lavernedii in het oosten zien er gelijk uit; de drie zijn op grond van moderne en oude genomen gescheiden, en volgens de auteurs is de determinatie van resten op morfologische grond nog niet opgelost. Toewijzing gebeurt op grond van de vindplaats: deze soort bewoont Portugal ten noorden van de Taag en het westen van Spanje (Galicië, West-Asturië, West-León, Zamora en Salamanca), terwijl M. lavernedii oostelijker in Cantabrië, de Pyreneeën en Catalonië voorkomt. Aan de grens tussen beide is geen veldkenmerk bruikbaar. Van de andere woelmuizen in Iberië is de soort wel te scheiden. Tegenover de Baskische woelmuis en de Provençaalse woelmuis, waarmee zij een groot deel van het areaal deelt, is zij groter, ruiger en langerstaartig, met duidelijk grotere ogen, en zij gebruikt wissels aan de oppervlakte in plaats van gangen; aardhoopjes met afgesloten ingangen wijzen op een van die twee soorten. De veldmuis, in Noord-Spanje op drogere, kortgegraasde grond, heeft een gladdere, gelere vacht en oren die verder uitsteken en van binnen kaal zijn; bij de aardmuisgroep zijn de oren kleiner en van binnen behaard, wat met het dier in de hand en bij goed licht het bruikbaarste kenmerk is. De Cabrerawoelmuis is groter, heeft een langere vacht met gele haarpunten en leeft in vochtige, ongemaaide zeggen- en biezenvegetatie. De rosse woelmuis heeft een roodbruine rug, grote ogen, uitstekende oren en een staart van ongeveer de halve lichaamslengte.

Leefgebied

Dicht, pollig grasland met weinig of geen begrazing: verruigde weiden en hooiland, natte graslanden en veenranden, bosranden en ruigten, jonge dennen-, eucalyptus- en loofhoutaanplant, en in de bergen weiden tot boven de 1600 meter. Bepalend is dekking: de soort heeft staande, ongemaaide vegetatie nodig voor het wisselstelsel en verdwijnt uit kortgegraasd of gemaaid grasland, waar de veldmuis haar vervangt.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Noordwest-Iberië. In Portugal het gebied ten noorden van de Taag, met de typelocatie bij Geria nabij Coimbra. In Spanje Galicië, West-Asturië, West-León, Zamora en Salamanca, met waarnemingen van de kust van A Coruña en Lugo zuidwaarts tot in de Sierra de Francia. Oostelijker, in Cantabrië, de Pyreneeën en Catalonië, leeft Microtus lavernedii; M. agrestis zelf komt pas ten noorden van de Pyreneeën voor. Omdat de splitsing recent is, staat het grootste deel van de oudere Iberische waarnemingen nog onder M. agrestis; de ruim veertig gecoördineerde meldingen onder de naam rozianus zijn vrijwel alle afkomstig uit recent vangonderzoek. Buiten Noordwest-Iberië komt de soort niet voor.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Actief in korte perioden van twee tot vier uur verdeeld over dag en nacht, met pieken na zonsondergang; in de zomer vooral 's nachts, in de winter meer overdag. De soort is planteneter met een voorkeur voor groene bladeren en stengels van grassen en kruiden, aangevuld met graszaad, wortels en paddenstoelen, en in de winter met bast. Zij leeft niet in kolonies zoals de veldmuis, maar in losse territoria waarin vrouwtjes afstand tot elkaar houden. De voortplanting loopt in Iberië van februari of maart tot oktober of november; na een draagtijd van 18 tot 20 dagen worden vier tot zes jongen geboren, en een vrouwtje kan tot vier worpen per seizoen hebben. De jongen zijn na ongeveer vier weken geslachtsrijp. Er is geen winterrust; in de bergen is de soort onder de sneeuw het actiefst. In het wild wordt zij zelden ouder dan een jaar.

Waar en wanneer kijken

Zoek verruigd, ongemaaid grasland, zoals een verlaten hooiweide in de Serra do Gerês, een natte weide in Lugo of de rand van een jonge dennenaanplant in Zamora. Tussen het gras liggen de wissels, breder en dieper ingesleten dan bij veel andere woelmuizen. De afwezigheid van aardhoopjes onderscheidt deze soort het snelst van de gravende woelmuizen die in hetzelfde perceel kunnen voorkomen. Het dier zelf is het best te zien bij wachten aan de rand van zo'n perceel in de eerste uren na zonsondergang, of waar een velduil jaagt. Buiten Portugal en West-Spanje is de soort niet op naam te brengen, en ook daar berust de toewijzing op de vindplaats en niet op uitwendige kenmerken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2024). De soort werd in 2024 voor het eerst afzonderlijk beoordeeld, kort nadat de aardmuis in drie soorten was gesplitst; het areaal is groot genoeg en de dieren zijn plaatselijk talrijk genoeg voor deze categorie. De voornaamste bedreiging is het verlies van ongemaaid, pollig grasland: het verlaten van hooiweiden, de intensivering van het resterende grasland en vooral de grootschalige omvorming van de heuvels van Noordwest-Iberië tot eucalyptus- en dennenaanplant, waarin de soort alleen in de eerste jaren kan leven. In deze aanplant wordt zij als schadesoort bestreden. Omdat vrijwel alle bestaande gegevens onder een andere naam zijn verzameld, ontbreken gegevens over trend en aantallen van deze soort afzonderlijk.

Wetenschappelijke naam

Microtus rozianus | (du Bocage, 1865) (GBIF: Microtus agrestis)

Du Bocage beschreef de soort in 1865 als Arvicola rozianus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. rozianus is met het bijvoeglijke achtervoegsel -ianus gevormd bij een naam Roz; du Bocage licht de opdracht niet toe en wie of wat ermee bedoeld is, is niet opgehelderd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Portugal, Coimbra.