Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Oostelijke veldmuis
Oostelijke veldmuis | Microtus rossiaemeridionalis
Southern vole | Microtus levis
De oostelijke veldmuis en de veldmuis zijn twee afzonderlijke soorten die niet met elkaar kruisen, die in Oekraïne, Wit-Rusland en op de Balkan in dezelfde weilanden voorkomen, en die op uiterlijk niet van elkaar te onderscheiden zijn. Ze werden pas in 1972 gescheiden, op grond van het aantal chromosomen: 54 tegen 46. De soort is een van de talrijkste zoogdieren van Oost-Europa en komt ook in stedelijk gebied voor, onder meer in Moskou.
Sporen
De sporen zijn dezelfde als bij de veldmuis en wijzen op de groep, niet op de soort. In dicht, hoog gras en in rietkragen ligt onder de vegetatie een wisselstelsel van geveegde tunneltjes van 3 tot 4 cm breed. De holingangen zijn ronde gaten van ongeveer 3 cm zonder aardhoopje; hij graaft uitgebreide stelsels met veel ingangen, gangen die 20 tot 25 cm afdalen en complexen tot 30 à 35 cm diep, met meerdere nestkamers. In de wissels liggen hoopjes schuin afgeknipte grasstengels van 2 tot 5 cm, met de zaadaren eraf gegeten. De keutels zijn 4 tot 7 mm, cilindrisch met stompe uiteinden, vers grasgroen, in kleine latrines. Na de dooi liggen de winternesten van fijn geknipt gras als gele bollen op het veld. Deze soort is meer zaadetend dan de veldmuis, zodat in zijn voorraadkamers vaker graankorrels en zaden liggen. In braakballen van kerkuil, ransuil en velduil zijn de twee soorten evenmin te scheiden; een kies wordt als 'Microtus arvalis-groep' genoteerd.
Herkenning
Een gedrongen, grijsbruine woelmuis, gemiddeld iets groter en langstaartiger dan de veldmuis: kop-romplengte 10,2 tot 13 cm, staart 3,3 tot 5,5 cm, gewicht 21 tot 58 gram; mannetjes zijn zwaarder dan vrouwtjes. Korte, stevige bouw met een grote kop en stompe snuit, middelgrote ogen en oren die duidelijk boven de vacht uitsteken. De rugvacht is donkerbruin met een beige waas en zwarte haarpunten, de onderzijde grijswit. Vrouwtjes hebben acht tepels, in borst- en liesparen. De maten overlappen vrijwel volledig met die van de veldmuis; een groot, langstaartig exemplaar is een aanwijzing en geen bewijs.
Gelijkende soorten
Tegenover de veldmuis geven veldkenmerken en kenmerken in de hand geen uitsluitsel. Vacht, kleur, oorvorm, staartverhouding en het glazuurpatroon van de kiezen zijn bij beide gelijk; het onderscheid is in 1972 gemaakt op het karyotype — 2n = 54 bij deze soort tegen 2n = 46 bij de veldmuis — en bevestigd doordat kruisingen in gevangenschap mislukken. Een verfijnde schedelmeetmethode wijst in Europa en Aziatisch Turkije een hoog percentage juist toe, maar is een statistische methode voor reeksen schedels en geen kenmerk voor één dier. Twee zwakke aanwijzingen, die nooit afzonderlijk volstaan: deze soort is gemiddeld groter en langstaartiger, en hij zit vaker in hoge, dichte kruidenvegetatie, natte weiden, moerasranden en rietkragen, terwijl de veldmuis kortgrazig, droog terrein verkiest. In het oosten en zuidoosten komt daarnaast Microtus obscurus voor, dat er hetzelfde uitziet en met 2n = 46 het karyotype van de veldmuis deelt. In het veld wel te scheiden zijn: de aardmuis, ruiger en donkerder, met kleinere, van binnen behaarde oren; de noordse woelmuis, groter, donkerder en langstaartiger, in Fennoscandië in natte moerassen; de rosse woelmuis, met rode rug, grote ogen en halflange staart; de brandmuis, met een zwarte rugstreep; en Microtus socialis in de zuidelijke steppen, kleiner, bleker en kortstaartiger.
Leefgebied
Open terrein met hoge, dichte kruiden- of grasvegetatie: natte en vochtige weiden, moerasranden, rietkragen, houtwallen en heggen, bermen, spoortaluds, akkerranden, luzerne en graanland op uiteenlopende bodems tot en met zand, van zeeniveau tot ongeveer 2480 meter in de zuidelijke gebergten. Anders dan de veldmuis, die kortgrazig en droog terrein zoekt, mijdt hij kortgemaaid en droog land. Hij komt ook in steden voor, in bermen, parken en volkstuinen, onder meer in Moskou.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Noord- en Oost-Europa en verder oostwaarts: Zuid-Finland — waar ruim achthonderd gegeorefereerde waarnemingen bekend zijn van Uusimaa en Kanta-Häme tot Satakunta en Zuid-Karelië en hij de gewone grijze woelmuis is — de Baltische staten, Wit-Rusland, Oekraïne, Moldavië, oostelijk Roemenië, Bulgarije, Noord-Macedonië, Servië, Kosovo, Albanië en Griekenland, en verder Turkije, de Kaukasus, Noordwest-Iran en Kazachstan; samen ongeveer 3,8 miljoen vierkante kilometer. Daarnaast is hij door mensen verspreid: op Spitsbergen leeft sinds een moment tussen 1920 en 1960 een populatie in een twintig kilometer lange kuststrook bij de Russische nederzetting Grumantbyen, aangevoerd met hooi uit de omgeving van Leningrad, ontdekt in 1960 en pas in 1990 juist gedetermineerd; het is het noordelijkst bekende voorkomen van een woelmuis. Ook op Jan Mayen en in enkele Siberische steden is hij ingevoerd. In West-Europa, onder meer op de Britse eilanden, in de Lage Landen en op het Iberisch Schiereiland, ontbreekt hij.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Polyfasisch, actief in korte perioden verspreid over het etmaal, met een duidelijk aandeel overdag. Hij is planteneter en meer op zaden gericht dan de veldmuis, en is daardoor in graanland een belangrijke schadesoort. Hij leeft in kolonies in uitgebreide gangenstelsels. Op de Balkan loopt de voortplanting van begin april tot in oktober; na een draagtijd van 18 tot 22 dagen worden vier tot zes jongen geboren, met twee tot tien embryo's per vrouwtje en grotere worpen bij vrouwtjes die al eerder wierpen. De jongen zijn na gemiddeld 54 dagen geslachtsrijp. In gedrag verschilt hij meetbaar van de veldmuis: hij is minder schuw voor nieuwe voorwerpen en verkent onbekend terrein sneller. Hij houdt geen winterrust.
Waar en wanneer kijken
Zoek in Zuid-Finland, Oekraïne of Bulgarije in de dichte, hoge vegetatie die de veldmuis mijdt: langs een rietkraag, in een verruigde weide, langs een spoortalud of in een stadspark. Onder het opzij geschoven gras liggen de wissels. Noteer een waarneming als 'grijze woelmuis', tenzij het karyotype of DNA bekend is. In Zuid-Finland is deze soort de gewone en de veldmuis zeer plaatselijk, zodat de vindplaats daar meer houvast geeft. De populatie op Spitsbergen is drager van de vossenlintworm; het Noors Poolinstituut waarschuwt bezoekers daarvoor.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2025) en in het hele areaal talrijk tot zeer talrijk. In het Oost-Europese graanland is hij, naast de veldmuis, een plaagsoort; de bestrijding met gifgranen op basis van bloedverdunners treft ook kerkuil, torenvalk, wezel en vos. Omdat de soort in het veld niet wordt herkend, is hij in vrijwel alle populatiecijfers en plaagstatistieken met de veldmuis samengeteld, zodat zijn eigen populatieontwikkeling onbekend is. Op Spitsbergen is hij sinds 1999 bekend als tussengastheer van de vossenlintworm Echinococcus multilocularis, waardoor deze ingevoerde populatie een volksgezondheidskwestie is geworden.
Wetenschappelijke naam
Microtus rossiaemeridionalis | Ognev, 1924 (GBIF: Microtus levis)
Ognev beschreef de soort in 1924 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. rossiaemeridionalis is de Latijnse genitief Rossiae meridionalis 'van zuidelijk Rusland', bij meridies 'middag, zuiden'; Ognev onderscheidde het dier als de zuidrussische vorm van de veldmuis. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland.






