Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Pyrenese woelmuis
Pyrenese woelmuis | Microtus pyrenaicus
Gerbe's vole | Microtus gerbei
De Pyrenese woelmuis is de bergsoort onder de drie Iberische gravende woelmuizen: hij bewoont de vochtige, koele zone tussen 800 en ruim 2000 meter in de Pyreneeën en het Cantabrisch Gebergte, terwijl de twee verwante soorten het laagland en het droge zuiden bewonen. Hij is van de drie het minst ondergronds — in Spanje leeft hij grotendeels bovengronds, in Frankrijk niet — en de enige die in groepen van vijf tot zestien dieren wordt aangetroffen die onderling weinig agressie vertonen.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Hij graaft minder diep en minder uitsluitend dan de twee verwanten, en dat is aan de sporen te zien. Er zijn kleine, lage hoopjes fijne aarde met dichtgestopte ingangen, maar minder talrijk en minder duidelijk in rijen dan bij de Baskische en de Provençaalse woelmuis, en daarnaast — vooral in de Spaanse populaties — bovengrondse looppaadjes van 3 tot 4 cm breed door het gras en de kruidlaag van bosranden en subalpiene weiden, langs beekoevers en langs stenen muurtjes. Die combinatie van gangen en oppervlaktewissels onderscheidt hem van de twee andere Iberische gravers. Een molshoop is veel groter en hoger, kegelvormig, uit kluiten opgebouwd en komt uit een verticale schacht; een hoop van de woelrat is grover en heeft de gangopening zichtbaar aan de zijkant. Een kenmerkend vraatspoor is de voorraad: hij verzamelt bollen van geofyten, vooral herfsttijloos en aardkastanje, van gemiddeld ongeveer één gram per stuk, in kamers langs de gang. Verder zijn er afgebeten bladeren en stengels van tweezaadlobbigen, geschilde wortels aan de voet van jonge bomen en in de winter geknaagde bast. De keutels zijn 4 tot 6 mm, cilindrisch met stompe uiteinden, en liggen in latrines langs de wissel of in de gang. Braakballen van kerkuil, bosuil en velduil zijn de betrouwbaarste bron.
Herkenning
Een middelgrote woelmuis van het ondergrondse type: bolle kop, stompe snuit, kleine ogen en korte oren die nauwelijks boven de vacht uitkomen, met een staart van 2,2 tot 3,6 cm, ruwweg een kwart tot een derde van de kop-romplengte. De vacht is beigebruin tot donkerbruin op de rug en grijs op de buik. Vrouwtjes hebben vier tepels in twee liesparen. Anders dan bij de naaste verwanten zijn de bovenoogrichels op de schedel tamelijk sterk ontwikkeld en blijven ze gescheiden; dat kenmerk is bruikbaar bij een schedel of braakbalvondst, niet in het veld. Voor een Iberische gravende woelmuis is hij groot: hij weegt tot 32 gram, terwijl de Baskische woelmuis onder de 20 gram blijft.
Gelijkende soorten
In het veld is de soort niet te scheiden van de twee verwante gravers. De Baskische woelmuis (Microtus lusitanicus) en de Provençaalse woelmuis (M. duodecimcostatus) zien er hetzelfde uit; alle drie hebben het kleine oog, het in de vacht verzonken oor en de korte staart van een graver. Aanwijzingen geven vindplaats en hoogte: deze soort bewoont de bergzone van 800 tot ruim 2000 meter met meer dan 1000 mm neerslag en een jaargemiddelde temperatuur onder 15 à 16 graden, en mijdt steile hellingen; de Baskische woelmuis leeft lager en westelijker op zure gronden, de Provençaalse lager en zuidelijker op warme, droge kalkgrond. In de hand zijn er twee zwakke aanwijzingen: met tot 32 gram is dit de zwaarste van de drie, en hij is de minst gespecialiseerde graver. Zekerheid geeft alleen de schedel. In het veld wel te maken is het onderscheid met de bovengronds levende soorten: veldmuis, aardmuis, Microtus lavernedii en Microtus rozianus hebben duidelijk grotere ogen, zichtbare oren en een langere staart en gebruiken wissels in het gras; de Cabrerawoelmuis is groter en ruiger en gebonden aan vochtige, ongemaaide ruigten; de rosse woelmuis heeft een rode rug, grote ogen en een halflange staart; en de sneeuwmuis in dezelfde bergen is lichtgrijs, grootorig en langstaartig en leeft tussen rotsen.
Leefgebied
De vochtige bergzone: bosranden en open plekken in bos van bergden, berk en beuk, zomen langs subalpiene weiden, beekoevers en graslanden langs oude stenen muurtjes en terrasranden. Hij heeft diepe grond met een dichte kruidlaag en veel neerslag nodig, en komt niet voor in de kale rotszone en niet in het droge, warme laagland. De hoogtegrenzen zijn voor een woelmuis scherp: vrijwel alle vindplaatsen liggen tussen 800 en 2035 meter.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De Pyreneeën, het Cantabrisch Gebergte en het aangrenzende deel van Frankrijk. In Spanje een smalle band die van de oostelijke Pyreneeën westwaarts tot in Cantabrië loopt; het is een van de kleinste arealen van de Spaanse zoogdieren. In Andorra komt hij in het hele land voor. In Frankrijk is het areaal veel groter dan de naam doet vermoeden: hij bewoont het gebied ten westen van het Centraal Massief en ten zuiden van de Loire, en van de ruim drieduizend gegeorefereerde meldingen komt ongeveer de helft uit Frankrijk. Het totale areaal beslaat iets meer dan 200.000 vierkante kilometer. In Portugal en in de rest van Europa komt hij niet voor.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Vooral 's nachts en in de schemering actief, in korte perioden. Hij eet vooral bladeren en stengels van tweezaadlobbige kruiden en legt daarnaast voorraden aan van bollen van geofyten, met name herfsttijloos en aardkastanje. Hij leeft in groepen van vijf tot zestien dieren die onderling weinig agressie vertonen, in een gedeeld gangenstelsel. De voortplanting loopt het hele jaar door, met een duidelijke piek van april tot november; per worp één tot vier embryo's, meestal twee of drie. Hij houdt geen winterrust en blijft onder de sneeuw actief; in de Pyreneeën, waar sneeuw maandenlang blijft liggen, beslaat die periode een groot deel van het jaar.
Waar en wanneer kijken
Ga in juni of juli naar een subalpiene weide of bosrand in de Aragonese of Franse Pyreneeën, in Andorra of in de Picos de Europa, en zoek langs oude stenen muurtjes en beekoevers naar de combinatie die op deze soort wijst: geveegde paadjes in het gras en kleine aardhoopjes met dichtgestopte ingangen. Leg met een mes voorzichtig een gang open en kijk of er bolletjes van herfsttijloos in een zijkamer liggen. Omdat hij in Spanje veel bovengronds loopt, is dit van de Iberische gravers de soort die het vaakst te zien is; ga op tien meter afstand zitten en let op gras dat zonder wind beweegt. Braakballen onder een roestplaats van kerkuilen in een berggehucht geven de betrouwbaarste gegevens.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2024), beoordeeld onder de naam Microtus gerbii. Het Franse deel van het areaal is groot en aaneengesloten; het Spaanse deel is smal en versnipperd en daardoor kwetsbaarder dan de categorie aangeeft. Bedreigingen zijn het verdwijnen van het traditionele berglandbouwgebied: het verlies van hooiweiden en terrassen, het staken van beweiding waarna weiden dichtgroeien, en de aanleg van skigebieden en wegen in de hoogtezone waarin hij leeft. Plaatselijk wordt hij in boomgaarden bestreden. Door zijn scherpe grenzen aan neerslag en temperatuur wordt verwacht dat klimaatverandering zijn leefgebied naar grotere hoogte verschuift, waar het beschikbare oppervlak kleiner is.
Wetenschappelijke naam
Microtus pyrenaicus | (de Sélys-Longchamps, 1847) (GBIF: Microtus gerbei)
De Sélys-Longchamps beschreef de soort in 1847 als Arvicola pyrenaicus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. pyrenaicus betekent 'van de Pyreneeën', waar de Sélys-Longchamps het dier vandaan beschreef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk, Pyreneeën.






