Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Microtus obscurus

Microtus obscurus | Microtus obscurus

Altai Vole | Microtus obscurus

Microtus obscurus is een woelmuis uit de veldmuisgroep die uitwendig, aan de schedel en aan het gebit niet van de veldmuis te onderscheiden is. Het verschil ligt in de chromosomen: beide soorten hebben er 46, maar de veldmuis heeft vier paar met de centromeer aan het uiteinde en deze soort tien. Het areaal ligt grotendeels in Centraal-Azië; in Europa komt de soort alleen in het uiterste zuidoosten voor, onder meer op de Krim, waar een deel van de grijze woelmuizen die als veldmuis te boek staan tot deze soort behoort.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Het spoorbeeld is dat van de veldmuis en geeft geen uitsluitsel over de soort, wel over de aanwezigheid van grijze woelmuizen. In kort, dicht grasland ligt onder de zode het wisselstelsel: geveegde tunneltjes van drie tot vier centimeter breed die de holingangen verbinden. De holingangen zijn ronde gaten van ongeveer drie centimeter, meestal zonder aardhoopje, vaak vijf tot vijftien bijeen. De gangen dalen tot twintig à vijfentwintig centimeter en de stelsels reiken tot dertig à vijfendertig centimeter diep, met meerdere nestkamers. In de wissels liggen afgeknipte grasstengels: schuin afgebeten stukjes van twee tot vijf centimeter in hoopjes langs de kant. De keutels zijn vier tot zeven millimeter lang, cilindrisch met stompe uiteinden, vers grasgroen en later bruin, in kleine latrines op vaste plekken. Na de dooi liggen de winternesten van fijngeknipt gras als vuistgrote gele bollen op het veld. In de winter wordt bast aan de voet van jonge fruitbomen afgeknaagd. Al deze sporen gelden evengoed voor de veldmuis; ze wijzen op de groep, niet op de soort.

Herkenning

Uitwendig gelijk aan de veldmuis: een gedrongen grijsbruine woelmuis met een bol, stomp kopje, kleine oogjes en oren die net boven de vacht uitsteken, en een korte staart van ongeveer een derde van de kop-romplengte. De vacht is dof geelgrijs tot geelbruin op de rug en vuilwit tot lichtgrijs op de buik, met een tamelijk scherpe scheiding op de flank; de staart is licht behaard en tweekleurig. De opgegeven maten zijn die van de veldmuis. Voor deze soort bestaat geen afzonderlijk gemeten reeks binnen dezelfde bron, en aparte maten zouden een verschil suggereren dat niet is aangetoond.

Gelijkende soorten

Tegenover de veldmuis is er geen veldkenmerk. Vacht, formaat, staartlengte, oorvorm, kiezen en glazuurpatroon zijn gelijk; de verwantschap is zo nauw dat de vraag of het om één of twee soorten gaat nog niet definitief beantwoord is. Het onderscheid ligt in het karyotype: beide hebben 2n = 46, maar de veldmuis heeft vier paar acrocentrische chromosomen en deze soort tien. De twee lijnen scheidden zich ongeveer 130.000 jaar geleden, tijdens het Eemien. In Midden-Rusland grenzen ze aan elkaar in een parapatrische contactzone van hooguit tien kilometer breed, in de oblasten Vladimir, Nizjni Novgorod, Koersk en Lipetsk. Daar komen kruisingen voor, maar de genuitwisseling is eenzijdig: vrijwel alle hybriden dragen het mitochondriale DNA van de veldmuis. In hetzelfde gebied leeft de oostelijke veldmuis (M. rossiaemeridionalis), die er ook gelijk uitziet maar met 2n = 54 aan een chromosoompreparaat eenduidig te herkennen is. Van andere soorten is deze woelmuis in het veld wel te scheiden: de aardmuis is ruiger en donkerder, met kleinere, van binnen behaarde oren; de rosse woelmuis heeft een roodbruine rug en een staart van ongeveer de halve lichaamslengte; de siesel heeft een geheel andere lichaamsbouw; Microtus socialis in de zuidelijke steppen is kleiner, bleker geel en korterstaartig.

Leefgebied

Open, droog tot matig vochtig grasland en akkerland: steppe en steppeachtige weiden, graanakkers, luzerne, akkerranden, braakland, wegbermen en spoortaluds, en in het gebergte alpiene en subalpiene weiden, in de Kaukasus en de Anatolische gebergten tot boven de tweeduizend meter. De soort heeft, net als de veldmuis, een dichte grasmat op vergraafbare grond nodig en mijdt bos, moeras en dicht struweel.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het grootste deel van het areaal ligt in Azië: de Altai en de Tiensjan, Mongolië, Noordwest-China, Kazachstan, Iran, de Kaukasus en Oost-Anatolië. In Europa komt de soort alleen in het uiterste zuidoosten voor. De best gedocumenteerde Europese populaties leven op de Krim, waar de grijze woelmuizen van het bergland en de zuidkust tot deze soort worden gerekend; daarnaast zijn er waarnemingen uit Oost-Oekraïne en langs de benedenloop van de Don en de Koeban. Westelijker leeft de veldmuis; waar beide soorten in Midden-Rusland aan elkaar grenzen, is de contactzone hooguit tien kilometer breed. In West- en Midden-Europa komt de soort niet voor; meldingen onder deze naam uit West-Europa berusten op een oudere, ruimere opvatting van de naam en hebben betrekking op de veldmuis.

Levenswijze

Als de veldmuis: actief in korte perioden verdeeld over dag en nacht, met de nadruk op de dag, levend in kolonies in een ondiep gangenstelsel met nest- en voorraadkamers, en vrijwel geheel planteneter: grassen, kruiden, granen, luzerne, wortels en knollen, in de winter bast en wortelstokken. De voortplanting loopt van het vroege voorjaar tot in de herfst, met worpen om de drie weken. De aantallen vertonen dezelfde meerjarige schommelingen als bij de veldmuis, met gevolgen voor de predatoren in steppe en akkerland. Er is geen winterrust; onder de sneeuw is de soort het actiefst. Of en waarin de levenswijze van die van de veldmuis verschilt, is niet onderzocht, omdat de twee soorten in het veld niet uit elkaar te houden zijn.

Waar en wanneer kijken

In het veld is aan deze soort niets waar te nemen wat niet ook bij de veldmuis te zien is. Zekere determinatie is alleen mogelijk met karyologisch of genetisch onderzoek. Bij het noteren van een waarneming bepaalt de vindplaats de waarschijnlijkste soort: op de Krim en aan de Zwarte Zeekust van de Kaukasus is een grijze woelmuis waarschijnlijk deze soort en niet de veldmuis. Sporen zijn te vinden in de wissels in het gras, en braakballen van de kerkuil geven informatie over de aanwezigheid van de groep. Een waarneming zonder genetische bevestiging wordt het best genoteerd als 'grijze woelmuis, Microtus arvalis-groep'.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2025). Over een groot areaal van Oost-Europa tot Xinjiang is de soort plaatselijk zeer talrijk. In de landbouwgebieden van Kazachstan, de Kaukasus en Anatolië geldt zij, net als de veldmuis, als plaagdier en wordt zij bestreden, met dezelfde gevolgen voor roofvogels en roofdieren die van haar leven. Omdat de soort in het veld niet herkend wordt, wordt zij niet afzonderlijk geteld en valt zij in monitoringgegevens onder de veldmuis. Over de stand en trend in het Europese deel van het areaal zijn daardoor geen gegevens beschikbaar.

Wetenschappelijke naam

Microtus obscurus | (Eversmann, 1841) (GBIF: Microtus arvalis)

Eversmann beschreef de soort in 1841 als Hypudaeus obscurus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. obscurus is Latijn voor 'donker, duister', naar de donkere vacht van de dieren die Eversmann beschreef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland.