Alle soorten › Roofdieren › Katachtigen › Pardellynx
Pardellynx | Lynx pardinus
Iberian lynx | Lince ibérico
De pardellynx is endemisch op het Iberisch Schiereiland en leeft vrijwel uitsluitend van het wilde konijn. In 2002 waren er nog 94 dieren over, in twee geïsoleerde kernen in Andalusië. Na een programma van fokken in gevangenschap, uitzetten en herstel van konijnenbestanden telde de officiële telling van 2025 2.663 dieren in 26 kernen in Spanje en Portugal. De IUCN verlaagde de status van ernstig bedreigd naar bedreigd (2015) en vervolgens naar kwetsbaar (2024).
Sporen
De prent is rond en compact; die van de achtervoet is langer en smaller. Er zijn vier teenafdrukken, meestal zonder nagelindrukken, en het zoolkussen heeft aan de voorkant een kleine inkeping. Het ontbreken van nagels scheidt de prent van die van vos en hond. De keutels worden als territoriummarkering bijeen gelegd op latrines: langs de rand van zandwegen en bospistes, op paden en naast konijnenburchten, en bij voorkeur op kruisingen van paden en wegen. Ze bevatten in de regel konijnenhaar en botjes. Een konijn wordt gedood met een beet in de schedelbasis. Grotere prooien, zoals een kalf van damhert of edelhert, worden met een keelbeet verstikt, de dekking in gesleept en na het eten met bladeren, aarde en ander materiaal afgedekt.
Herkenning
Een middelgrote, hoogbenige kat met een korte romp, een korte staart en een relatief kleine kop. Beide geslachten hebben een opvallende bakkebaard en lange zwarte kwastjes op de oorpunten. De vacht is helder geelrood tot geelbruin met een witte onderzijde en is van alle lynxen het dichtst gevlekt, met zwarte vlekken over romp en poten. Het vlekkenpatroon verschilt per dier en is links en rechts niet gelijk; op cameravalbeelden worden individuen daaraan herkend. De vacht is kort, dun en ruw. Mannetjes zijn ongeveer 25% groter dan vrouwtjes. De soort is ongeveer half zo groot als de Euraziatische lynx.
Gelijkende soorten
Binnen het Iberische areaal is de wilde kat de enige andere wilde kat. Die is veel kleiner, heeft een langere staart met donkere ringen en mist de lange oorkwastjes. Een grote, gevlekte huiskat kan op een onscherpe foto verwarring geven; de korte staart, de hoge poten en de oorkwastjes beslissen. De Euraziatische lynx is ongeveer twee keer zo groot.
Leefgebied
De soort is het talrijkst in een mozaïek van open bos en uitgestrekt, dicht mediterraan struikgewas. In Doñana geeft zij in alle seizoenen de voorkeur aan mediterraan struweel boven alle andere begroeiingstypen; meer dan 90% van de rustplaatsen overdag ligt in dichte heide. Dennen- en eucalyptusaanplant worden gemeden. De twee voorkeursbiotopen in Doñana waren ook die met de hoogste konijnendichtheid. Permanent water en weinig verstoring door mensen horen bij goed leefgebied. Onder hoge konijnendichtheid beslaat het territorium van een voortplantend vrouwtje 400 tot 500 ha.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Endemisch op het Iberisch Schiereiland. In 2002 waren er twee kernen over, beide in Andalusië: Andújar-Cardeña in de oostelijke Sierra Morena (54 dieren) en Doñana (40 dieren). Door uitzettingen van in gevangenschap gefokte dieren zijn nieuwe bevolkingen ontstaan in Castilla-La Mancha, Extremadura en het Guadianadal in Portugal. De telling van 2025 gaf per regio: Castilla-La Mancha 1.051 dieren, Andalusië 885, Portugal 394, Extremadura 302, Murcia 19, Castilla y León 11 en Madrid 1. Van de 26 kernen werd in 18 voortplanting vastgesteld.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Overwegend 's nachts actief, met een piek rond zonsopkomst en zonsondergang in de zomer; in de winter is de soort ook overdag op pad. Het activiteitspatroon volgt dat van het konijn. Het konijn vormt in Doñana 75 tot 93% van het voedsel; daarnaast worden jonge damherten en edelherten, kleine knaagdieren, slangen, hagedissen, eenden, ganzen en rode patrijzen gegeten. Een mannetje heeft volgens een schatting uit voedingsproeven zo'n 379 konijnen per jaar nodig, een niet-voortplantend vrouwtje 277. Pardellynxen leven solitair; territoria van dieren van hetzelfde geslacht overlappen weinig, die van mannetjes overlappen met die van vrouwtjes. De paartijd valt in januari en februari; na een draagtijd van 63 tot 73 dagen worden in maart of april 1 tot 4, meestal 2 jongen geboren. Jongen blijven tot ongeveer 20 maanden in het gebied van de moeder.
Waar en wanneer kijken
De pardellynx is het makkelijkst te zien in de winter, wanneer hij ook overdag actief is, in de oudste kernen en in gebieden met veel konijnen. Een verhoogd uitzichtpunt over struweel en open bos in de vroege ochtend of late middag geeft de beste kans. Let op latrines langs bospistes en op kruisingen: een reeks keutels op een vaste plek wijst op een territorium. Wie een dier op de foto krijgt kan de vlekken aan beide flanken vastleggen; daarmee kan het individu worden herkend.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU, 2024), na ernstig bedreigd en, vanaf 2015, bedreigd. De soort staat op bijlage I van CITES en is in haar hele areaal wettelijk beschermd. Tussen 1960 en 1978 kromp het leefgebied met ongeveer 80%, door omzetting van inheems bos in dennen- en eucalyptusaanplant en door myxomatose onder de konijnen; in 2002 waren er 94 dieren over, met 27 voortplantende vrouwtjes. De telling van 2025 kwam op 2.663 dieren (Spanje 2.269, Portugal 394): 1.711 volwassen en halfvolwassen dieren, 952 jongen en 542 voortplantende vrouwtjes. Dat is 10,9% meer dan in 2024 (2.401) en 95% meer dan in 2021. Het getal is een minimum. Het verkeer is de grootste doodsoorzaak: van de 273 dode dieren die in 2025 werden gevonden kwamen er 212 (77,7%) om in het verkeer. De bevolking blijft afhankelijk van de stand van het konijn.
Wetenschappelijke naam
Lynx pardinus | (Temminck, 1825)
Temminck beschreef de soort in 1825 als Felis pardina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Lynx is het Griekse lynx, waarschijnlijk bij de wortel *leuk- 'licht, glans', naar de weerspiegelende ogen. pardinus is Latijn voor 'als een panter', bij pardus (Grieks pardos) 'panter', naar de zwaar gevlekte vacht; Temminck schreef Felis pardina. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Portugal.




