Alle soorten › Evenhoevigen › Hertachtigen › Rendier
Rendier | Rangifer tarandus
Reindeer | Reno
Het rendier (Rangifer tarandus) is het hert van de toendra en de noordelijke taiga, en het enige hert waarbij beide seksen een gewei dragen. In het gidsgebied leven wilde rendieren in het hooggebergte van Noorwegen, als bosrendier in Finland en Russisch Karelië, en op Spitsbergen. In IJsland is de soort in de achttiende eeuw uitgezet. In het noorden van Scandinavië en op het schiereiland Kola worden daarnaast grote aantallen halfgedomesticeerde rendieren gehouden.
Sporen
De prent is groot en rond, met twee brede, halvemaanvormige hoefhelften en vrijwel altijd de afdruk van de bijklauwen; de voeten spreiden op sneeuw en in moeras. In de winter graaft het rendier kraters in de sneeuw om bij korstmossen te komen. De keutels zijn kleine, donkere pellets. Afgeworpen geweien liggen op de fjell: de bokken werpen ze na de bronst af, de geiten pas in het voorjaar na het kalven. Op kale bergkammen lopen brede, diep uitgesleten trekpaden.
In wintervacht

Herkenning
Een middelgroot tot groot hert met een kop-romplengte van 120 tot 220 cm, een schouderhoogte van 87 tot 140 cm, een staart van 7 tot 21 cm en een gewicht van 60 tot 318 kg; het rendier van Spitsbergen is de kleinste vorm, met zeer korte poten. De vacht is grijsbruin, in de winter lichter en dikker, met een lichte hals en manen. De snuit is behaard. Beide seksen dragen een gewei: bij de bok tot 130 cm lang, met een naar voren gerichte, vaak afgeplatte oogspruit boven de snuit; bij de geit 23 tot 50 cm. De hoeven zijn breed, met grote bijklauwen. Bij het lopen maken de poten een hoorbaar klikkend geluid. Het bosrendier is groter en hoger op de poten dan het fjellrendier en heeft een smaller, meer V-vormig gewei.
Gelijkende soorten
Wilde en halfgedomesticeerde rendieren behoren tot dezelfde soort. Tamme dieren zijn vaak bont of wit, dragen oormerken of halsbanden en laten mensen dichter naderen; in gebieden met rendierhouderij is een wild dier in het veld meestal niet met zekerheid te herkennen. De eland is veel groter en donkerder, met een hangende bovenlip en bij de stier een schoffelvormig gewei. Het edelhert heeft een roodbruine vacht, een lichte spiegel en geen gewei bij de hinde. De muskusos op de Dovrefjell is donkerder, massiever en draagt hoorns.
Leefgebied
Toendra en alpiene hoogvlakten boven de boomgrens met korstmosrijke dwergstruikheide, venen en sneeuwvelden, en voor het bosrendier naaldbos met open venen. In de zomer zoeken fjellrendieren sneeuwvelden en hooggelegen kammen op, waar minder insecten zijn.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Het rendier leeft rond de noordpool, in Europa, Azië en Noord-Amerika, waar het kariboe heet. In Noorwegen leven ongeveer 20.000 wilde fjellrendieren (R. t. tarandus), het meest op de Hardangervidda; andere populaties leven onder meer in Snøhetta, Rondane en Nordfjella. Het Finse bosrendier (R. t. fennicus) was in Finland aan het eind van de negentiende eeuw vrijwel uitgeroeid, keerde vanuit Rusland terug en werd in 1979–1980 opnieuw uitgezet; in 2013 werden in Kainuu 793 dieren geteld en in Suomenselkä leven er ongeveer 1000. Vanaf 2019 zijn bosrendieren uitgezet in de nationale parken Lauhanvuori en Seitseminen. In Russisch Karelië leeft de oostelijke voortzetting van deze populatie. Het rendier van Spitsbergen (R. t. platyrhynchus) is inheems op Spitsbergen. In IJsland werden tussen 1771 en 1787 bij vier gelegenheden rendieren uitgezet; alleen de populatie in het oosten van het eiland heeft zich gehandhaafd. In de Cairngorms in Schotland wordt sinds 1952 een kudde gehouden.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Rendieren leven in kuddes, die in de trektijd duizenden dieren kunnen tellen, en leggen grote afstanden af tussen zomer- en wintergebied. In de winter bestaat het voedsel vooral uit korstmossen, in de zomer uit grassen, zegges, kruiden, bladeren van wilgen en berken en paddenstoelen. De bronst valt van eind september tot begin november; de draagtijd is 228 tot 234 dagen, en in mei of juni wordt één kalf geboren, dat binnen enkele uren met de moeder meeloopt. Rendieren kunnen twintig jaar oud worden.
Waar en wanneer kijken
Op de Hardangervidda, de Dovrefjell en in Rondane zijn wilde rendieren schuw; zoek met een telescoop vanaf een hoog punt de hoogvlakte en de sneeuwvelden af, en blijf op afstand, want een kudde die mensen ruikt, vlucht kilometers ver. Op Spitsbergen zijn rendieren rond Longyearbyen gewoon en weinig schuw. In Oost-IJsland zijn ze in de winter in lager gelegen gebied te vinden. Het Finse bosrendier is het best te zien in Kainuu, in de late winter op open venen. De kudde in de Cairngorms is met een begeleide wandeling te bezoeken.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU, 2016), voor de soort als geheel, vooral door de sterke achteruitgang van kariboes in Noord-Amerika. In Noorwegen werd in 2016 bij wilde rendieren in Nordfjella chronic wasting disease (CWD) vastgesteld, een prionziekte; tussen november 2017 en februari 2018 werden daar alle 1407 bekende dieren van de besmette zone gedood, waarvan er 17 besmet bleken. Verdere bedreigingen zijn versnippering van het leefgebied door wegen, spoorlijnen, hutten, hoogspanningslijnen en windparken. Het Finse bosrendier is gevoelig (NT) door kruising met halfgedomesticeerde rendieren en door predatie door de wolf.
Wetenschappelijke naam
Rangifer tarandus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Cervus Tarandus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Rangifer is de middeleeuws-Latijnse naam voor het rendier, die Albertus Magnus al gebruikt; hij gaat waarschijnlijk terug op een Samisch woord als raingo, maar zeker is dat niet. tarandus gaat terug op het Griekse tarandos, de naam van een noordelijk dier bij Aristoteles en Theophrastus die men later op het rendier betrok; de verdere herkomst van het woord is onbekend, mogelijk is het aan een Scythische taal ontleend. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden, Lapland.






