Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Sekeetamys calurus
Sekeetamys calurus | Sekeetamys calurus
Bushy-tailed jird | Sekeetamys calurus
Sekeetamys calurus is een renmuisachtige van rotswoestijnen in de Sinaï, de Oostelijke Woestijn van Egypte, de Negev en Zuid-Jordanië, en de enige soort van zijn geslacht. De soort wijkt op drie punten af van de andere renmuisachtigen: de staart draagt een dichte pluim van lange haren, het dier graaft geen hol maar woont in rotsspleten en klimt over steile wanden, en het voedsel bestaat vooral uit insecten.
Sporen
De soort graaft niet en is dus niet in zand te vinden. Overdag rust ze in rotsspleten en onder blokken, en daar liggen ook de sporen. In en voor spleten in zandsteen en graniet zijn zaadresten, lege zaaddozen en stukjes sappige plant gevonden in bewoonde spleten; die combinatie is het bruikbaarste spoor. Daarnaast liggen er resten van het belangrijkste voedsel: poten, dekschilden en kopkapsels van krekels en kakkerlakken, meestal onder een richel waar het dier heeft gegeten. Keutels zijn zwart, spoelvormig, drie tot vier millimeter lang, en liggen op vaste plekken op een richel of een vlakke steen, in latrines zoals ook de stekelmuizen die maken; een hoopje keutels alleen zegt dus niet welke soort er leeft. Prenten zijn nauwelijks te vinden, omdat het dier over steen loopt. Waar stuifzand tegen een rotsvoet ligt, is soms een lichte, langgerekte afdruk van de smalle achtervoet te zien, vier tenen voor en vijf achter. Het betrouwbaarste bewijs komt uit braakballen van kerkuil en oehoe uit rotsige woestijn, waarin de soort aan de schedel met de gegroefde snijtanden en de opgeblazen gehoorblazen te herkennen is.
Herkenning
Een kleine tot middelgrote renmuisachtige van tien tot dertien centimeter kop-romp en 26 tot 50 gram, met een staart die ongeveer een vijfde langer is dan het lichaam. De staart is het belangrijkste kenmerk: dicht bezet met lange zwarte haren die in twee rijen zijdelings uitstaan, met een witte punt; een dergelijke staart komt bij geen andere renmuisachtige voor. De rug is bleek geelbruin tot zandkleurig, zwart gespikkeld doordat elk haar grijs is aan de basis, met een gele band onder een zwarte punt; de flanken zijn bleker en dragen een gele of oranje streep van pols tot enkel. De buik is zuiver wit. De oren zijn groot, donker gepigmenteerd, rond aan de top en dun behaard, de ogen groot en donker. De achtervoeten zijn lang en smal met kale zolen, gebouwd om te klimmen en niet om te graven. Aan de schedel is de soort te herkennen aan de opgeblazen gehoorblazen, de scherpe schedelkammen, de lange smalle snuit en de naar achteren hellende bovensnijtanden, elk met één lengtegroef.
Gelijkende soorten
De staart is steeds doorslaggevend. Wagners renmuis (Gerbillus dasyurus) gebruikt in Egypte en de Negev dezelfde rotsspleten en is ongeveer even groot, maar heeft een dun behaarde staart met hooguit een klein eindpluimpje en zonder witte punt. Sundevalls zandmuis (Meriones crassus) is zwaarder, graaft holen in zand en heeft een kort, donker staartkwastje op een lichte staartbasis. De stekelmuizen, de Egyptische (Acomys cahirinus) en de gouden (A. russatus), leven in dezelfde rotsen; zij hebben een stekelige rugvacht en een kale, breekbare staart die vaak voor een deel ontbreekt, en de gouden stekelmuis is bovendien dagactief. De eikelmuis heeft een vergelijkbare staart, maar een zwart oogmasker, en komt in dit gebied niet voor. Een zandkleurig knaagdier dat 's nachts over rotsen rent met een zwarte pluimstaart met witte punt, is in de Sinaï, de Negev en Zuid-Jordanië deze soort.
Leefgebied
Uitsluitend rotsig terrein: rotswanden en zandsteenkliffen, spleten in graniet en de ruimten tussen grote blokken, in droog gebied. In de bergen van de Sinaï komt de soort voor, maar niet boven de zeshonderd meter. Uit zandgebieden is ze niet bekend, terwijl de zandmuizen juist rots mijden. In de rotswoestijn van Egypte leeft ze samen met de Egyptische stekelmuis, de gouden stekelmuis en Wagners renmuis; deze vier soorten gebruiken dezelfde spleten en verschillen in activiteitstijd en voedsel.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Een klein en versnipperd areaal. De nominaatvorm leeft op het Sinaïschiereiland, in Zuid-Israël, in Zuidwest-Jordanië en in een geïsoleerde populatie in Midden-Arabië; de donkere dieren van de Oostelijke Woestijn van Egypte worden als ondersoort makrami onderscheiden. In het gidsgebied liggen de Sinaï, de Oostelijke Woestijn van Egypte, de Negev en de rotswoestijn van Zuid-Jordanië. In Israël is het areaal in de loop van de tijd noordwaarts verschoven, van de omgeving van Nachal Tse'elim in de richting van Ein Gedi aan de Dode Zee. De taxonomische en ecologische status van de Midden-Arabische populatie is niet onderzocht.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief. De soort klimt snel over rotsblokken en langs steile wanden en draagt daarbij de staart rechtop en naar voren gebogen boven de rug. Overdag zit ze in een spleet of onder een blok; een hol wordt niet gegraven. Ze is een alleseter met een overwegend uit insecten bestaand dieet, aangevuld met groen plantaardig materiaal, zaden en stukjes vetplant; in gevangenschap werden kakkerlakken en krekels gegeten. In de Negev is de dichtheid geschat op 0,8 tot 3 dieren per hectare. Over de voortplanting in het wild is weinig bekend: drachtige vrouwtjes zijn in februari en maart gevonden. Bij dieren in gevangenschap werden in het begin van de twintigste eeuw in alle maanden behalve september worpen geboren; over 47 worpen was het gemiddelde 2,8 jongen, met twee worpen van zes als maximum. Vrouwtjes hebben vier paar tepels. De soort houdt geen winterslaap of winterrust.
Waar en wanneer kijken
Zoek een zandsteenklif of een blokkenveld in een droge wadi beneden de zeshonderd meter, en ga na donker met een rode lamp zitten waar spleten en richels samenkomen. In de Negev zijn de wadi's die naar de Dode Zee aflopen, rond Ein Gedi en Nachal Tse'elim, de bekendste plekken; in de Sinaï komen granietwadi's in aanmerking. Het dier beweegt snel en verticaal, dus beschijn de wand ook omhoog en niet alleen de bodem; de witte staartpunt is vaak het eerste wat zichtbaar is. Overdag kun je de spleten afzoeken op zaaddozen, krekelresten en latrines, maar stekelmuizen gebruiken dezelfde spleten. De soort is nergens talrijk.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). De soort is nergens talrijk: in Israël gold ze in de jaren vijftig als matig algemeen, en in de Negev zijn nooit meer dan drie dieren per hectare gemeten. Ernstige bedreigingen zijn niet vastgesteld, en het leefgebied, kale rots beneden de zeshonderd meter, wordt weinig door mensen gebruikt. Het areaal in Israël is eerder gegroeid dan gekrompen. Open vragen zijn de taxonomische en ecologische status van de geïsoleerde populatie in Midden-Arabië, en het vrijwel ontbreken van genetische gegevens over de soort buiten het karyotype.
Wetenschappelijke naam
Sekeetamys calurus | (O. Thomas, 1892)
O. Thomas beschreef de soort in 1892 als Gerbillus calurus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Sekeetamys eindigt op het Griekse mys 'muis'; het eerste deel laat zich niet thuisbrengen, en Ellerman heeft in 1947 niet gezegd wat hij ermee bedoelde. calurus is Grieks voor 'mooistaart', van kalos 'mooi' en oura 'staart', naar de lange staart met de witte pluim aan het eind. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte, Sinaï.


