Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Brandmuis

Brandmuis | Apodemus agrarius

Striped Field Mouse | Ratón Listado

De brandmuis is de enige Europese Apodemus die zonder het dier in de hand op naam te brengen is: over de rug loopt van de kop tot de staartwortel een zwarte streep, die bij geen andere Europese muis voorkomt. Hij is ook de enige soort van het geslacht die regelmatig overdag actief is. Sinds de twintigste eeuw breidt hij zich westwaarts uit, naar Denemarken, Oost-Duitsland, Noord-Italië en sinds de jaren negentig Oostenrijk.

Brandmuis (Apodemus agrarius)
Foto: Shmukler E., in Khlyap e.a. 2021 (Biodiversity Data Journal) — CC0 · Wikimedia Commons

Sporen

De brandmuis graaft, waardoor zijn sporen beter te vinden zijn dan die van de meeste muizen. Hij maakt eenvoudige gangenstelsels van 30 tot 40 cm diep met drie of vier ingangen en een nestkamer bekleed met droge planten; de ingangen zijn kale, ronde gaten van twee tot drie centimeter in een greppelkant, een akkerrand of onder een graspol, zonder aardhoopje ervoor. In de nazomer en de herfst lopen vanaf die gaten korte, platgetreden paadjes door het gras. In de winter trekt hij naar hooibergen, schuren, aardappelkuilen en opslagloodsen; daar zijn hoopjes doppen en donkere, spoelvormige keutels van drie tot vijf millimeter te vinden. De vraatsporen lijken op die van de bosmuis: zaden en pitten met een rond gaatje, en aren die bij de knik zijn afgebeten en van de korrels ontdaan. In sneeuw of fijn stof maakt hij hetzelfde sprongspoor als de andere Apodemus-soorten: vier prenten in een groepje, de vijftenige achtervoeten vóór de viertenige voorvoeten, maar met kortere sprongen, omdat hij lager op de poten staat. Hij wordt in Midden- en Oost-Europa veel gevonden in braakballen van kerkuil en velduil; in veel streken is zijn uitbreiding op die manier het eerst vastgesteld.

In zijn leefgebied

Brandmuis, overdag op de trappen van een parkvijver bij het britzer schloss in berlijn — hier zijn de rugstreep en de korte staart allebei in één beeld te zien
Overdag op de trappen van een parkvijver bij het Britzer Schloss in Berlijn — hier zijn de rugstreep en de korte staart allebei in één beeld te zien · Foto: Gerizo — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Brandmuis, kop en schouder van dichtbij in het bekarjoekovbos, belgorod: de zwarte streep begint tussen de oren, die klein en rond zijn en half in de vacht liggen
Kop en schouder van dichtbij in het Bekarjoekovbos, Belgorod: de zwarte streep begint tussen de oren, die klein en rond zijn en half in de vacht liggen · Foto: Арбузова Марина Владимировна — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine, gedrongen muis met kop-romp 7,5 tot 12 cm, een staart van 6,5 tot 11,5 cm die korter is dan kop en romp, en een gewicht van 16 tot 38 gram. De bovenzijde is geelbruin tot roodbruin, de onderzijde grijswit, en over het midden van de rug loopt een zwarte streep van tussen de oren tot aan de staartwortel, meer of minder scherp begrensd, maar bij volwassen dieren vrijwel altijd zichtbaar. De oren zijn klein en rond en liggen half in de vacht; de ogen zijn kleiner dan bij de bosmuis en de snuit is stomper. De staart is tweekleurig, donker van boven en licht van onder, en dun behaard. Het lichaam is daardoor korter en ronder dan bij de bosmuis en de grote bosmuis, die beide lange oren, uitpuilende ogen en een staart zo lang als kop en romp hebben.

Gelijkende soorten

Bij zicht op de rug is de brandmuis de enige Europese muis met een doorlopende zwarte rugstreep; bosmuis en grote bosmuis hebben op de rug hooguit een donkere zweem van dekharen, en hun kenmerk zit op de borst (een gele vlek of een gele band), niet op de rug. Als alleen de kop of de flank zichtbaar is, zijn de kleine ronde oren en de korte staart bepalend: bij bosmuis en grote bosmuis is de staart ongeveer even lang als kop en romp samen, bij de brandmuis duidelijk korter. De dwergmuis is half zo groot, oranjebruin, zonder streep en met een grijpstaart. Jonge huismuizen zijn grijzer en doffer, missen de scherpe grens tussen rug en buik en hebben een sterke geur. Verwarring met woelmuizen komt nauwelijks voor: die hebben een stompe snuit, oren die in de vacht verdwijnen en een staart die veel korter is dan het lichaam. In Oost-Azië komen andere gestreepte muizen voor, maar in Europa is de rugstreep beslissend.

Leefgebied

Vooral randbiotopen: bosranden, houtwallen, greppelkanten, akkerranden, ruigten en verwaarloosde hoeken, en van daaruit akkers, moestuinen en tuinen. Hij heeft een voorkeur voor een dichte kruid- en struiklaag met weinig of geen kroondak; in het zuiden van het areaal is hij gevonden in bramenruigten onder open bos. Gesloten oud bos en kaal, permanent bewerkt land worden gemeden. Verder rietkragen, moerasranden, natte graslanden en slootbermen. In de herfst en winter trekt hij naar erven: schuren, hooibergen, opslagplaatsen en soms woonhuizen. In Noord-Macedonië is hij tot 1750 m aangetroffen.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het areaal bestaat uit twee gescheiden delen. Het westelijke deel loopt van Denemarken, Duitsland en Noord-Italië oostwaarts door Midden- en Oost-Europa tot in Zuid-Siberië en West-China; het oostelijke deel omvat het Russische Verre Oosten, Oost-Mongolië, China, Noord-Myanmar, Korea, Taiwan en de Senkaku-eilanden van Japan. In Europa is het een oostelijke soort die zich westwaarts uitbreidt: Denemarken en Noord-Duitsland zijn al lang bezet, Oostenrijk werd in de jaren negentig bereikt, en in Noord- en Noordoost-Italië komt hij voor in de Po-vlakte. De soort ontbreekt op het Iberisch Schiereiland, in Frankrijk, de Lage Landen en op de Britse Eilanden; de meest westelijke populaties liggen in Oost-Duitsland en Denemarken. In het oosten van het areaal schommelen de aantallen sterk en komen plaagjaren voor.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Als enige Europese Apodemus is hij regelmatig overdag te zien: hij is dag- of schemeractief, in de zomer vooral in de schemering en de nacht, in de winter vooral overdag. Hij klimt matig en blijft meestal op de grond. Het voedsel bestaat uit zaden, knoppen, vruchten en bessen in wisselende verhouding, aangevuld met insecten, wormen en slakken; op akkers eet hij graan en knollen. Hij houdt geen winterslaap en is het hele jaar actief; bij vorst trekt hij naar menselijke opslagplaatsen. De voortplanting valt in het voorjaar en de zomer, met worpen van één tot tien jongen, gemiddeld ongeveer vijf. De dagelijkse loopafstand is klein (gemeten werd gemiddeld ruim veertig meter voor mannetjes en dertig meter voor vrouwtjes) en het woongebied meet honderd tot 2400 vierkante meter, zonder groot verschil tussen de seksen. De soort is een van de belangrijkste dragers van hantavirus in Oost-Europa en Oost-Azië; in stoffige schuren is daarom voorzichtigheid geboden.

Waar en wanneer kijken

De soort is ook overdag waar te nemen. Loop in Polen, Tsjechië, Hongarije of Oost-Duitsland op een zachte ochtend of laat in de middag langs een greppel, een akkerrand of een verruigde bosrand en let op een kleine muis met een donkere rug die laag door het gras beweegt; in de winter is de kans overdag het grootst. Een tweede methode is zoeken in schuren: van oktober tot maart zitten de dieren in hooi, stro en graanopslag en zijn ze met een zaklamp goed te vinden. Een derde methode is braakbalonderzoek: in Midden- en Oost-Europa wordt de soort daarin veel gevonden, en de korte staart en kleine oren onderscheiden hem in de hand direct van de bosmuis.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016); een van de weinige Europese knaagdieren waarvan het areaal groeit. De soort profiteert van kleinschalig akkerland met ruige randen, van greppels en van menselijke voedselvoorraden, en breidt zich sinds de twintigste eeuw geleidelijk naar het westen uit. Plaatselijk komen sterke populatiepieken voor waarin de soort als landbouwplaag geldt, met vraat aan graan, knollen en opgeslagen producten; die pieken nemen daarna weer af. Aandacht voor de soort betreft vooral zijn rol als gastheer van hantavirus, niet zijn voortbestaan.

Wetenschappelijke naam

Apodemus agrarius | (Pallas, 1771)

Pallas beschreef de soort in 1771 als Mus agrarius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Apodemus is Grieks, van apodēmos 'weg van huis, buitenshuis'. agrarius is Latijn voor 'van de akker', bij ager 'veld, bouwland'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland.