Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Alpenbosmuis

Alpenbosmuis | Apodemus alpicola

Alpine Field Mouse | Ratón Alpino

De alpenbosmuis is een bosmuis die uitsluitend in de Alpen voorkomt en daarmee een van de weinige zoogdiersoorten is die endemisch zijn voor dat gebergte. Hij werd in 1952 beschreven als ondersoort van de grote bosmuis en in 1989 door Storch en Lütt als aparte soort erkend. Hij lijkt sterk op de bosmuis en de grote bosmuis; in de zone waar de drie soorten samen voorkomen, is determinatie op veldkenmerken soms niet mogelijk.

Alpenbosmuis (Apodemus alpicola)
Foto: Mattia Menchetti — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Er zijn weinig sporen die specifiek op deze soort wijzen. Opengeknaagde hazelnoten, beukennootjes, kersenpitten en rozenbottels in een Alpenbos wijzen op het geslacht Apodemus en niet op de soort: een rond gat van vijf tot acht millimeter met een gladde rand en snijtandgroeven dwars over de schaal ernaast onderscheidt een muis van rosse woelmuis, eekhoorn en specht, maar niet de alpenbosmuis van de grote bosmuis. Eén verschil is wel bekend: van de drie soorten is dit de soort waarvoor boomzaad in de wintervoorraad geen grote rol speelt; de voorraad bestaat uit voedselarmer materiaal, kruiden en vruchten. De keutels zijn de gebruikelijke donkere, spoelvormige korrels van drie tot vijf millimeter, verspreid en niet op hoopjes. In sneeuw, die in het leefgebied lang ligt, maakt hij een sprongspoor van vier prenten in een groepje, met de vijftenige achtervoeten vóór de viertenige voorvoeten en een dunne staartstreep ertussen; door de lange achtervoet en de lange staart is de sprong iets langer dan bij de bosmuis, maar dat is aan één spoor niet vast te stellen. Gangen en nesten liggen onder boomwortels, tussen puinblokken en onder stenen.

Herkenning

Een muis van het bosmuistype, met een kop-romplengte van 9,3 tot 10,6 cm, een staart van 10,7 tot 12 cm, duidelijk langer dan kop en romp, en een gewicht van 23 tot 35 gram. De bovenzijde is warm bruin, de flanken zijn okerkleurig, en de buik is grijswit en niet zuiver wit; dat is het bruikbaarste kenmerk. Op de keel zit een gele vlek die ovaal naar beneden kan uitlopen of tot een gesloten band kan zijn aaneengesloten; de aan- of afwezigheid van een halsband is dus geen determinatiekenmerk. De achtervoet is lang, 23 tot 25 mm, de oren zijn groot en dun en de ogen bol en zwart. De schedel is sterk langgerekt, maar dat kenmerk is alleen bij onderzoek in het laboratorium te gebruiken. De bruikbaarste verhouding is die van de staart: bij de alpenbosmuis meet hij meer dan 130 procent van de kop-romplengte.

Gelijkende soorten

Alpenbosmuis, bosmuis en grote bosmuis vormen in Europa de moeilijkst te scheiden groep binnen Apodemus. Ten opzichte van de bosmuis heeft de alpenbosmuis een langere achtervoet en een veel langere staart: meer dan 130 procent van de kop-romplengte, terwijl de staart van de bosmuis korter is dan het lichaam. Ten opzichte van de grote bosmuis is de buik grijswit in plaats van zuiver wit en is de staart langer dan 120 procent van de kop-romplengte. Buiten de Alpen, waar de alpenbosmuis niet voorkomt, volstaan die kenmerken om bosmuis en grote bosmuis te scheiden. Binnen de Alpen, waar de drie soorten naast elkaar leven, zijn ze niet betrouwbaar: ook bij volwassen dieren is een zekere determinatie soms alleen met biochemische of genetische methoden mogelijk, en bij jonge dieren is determinatie op uiterlijke kenmerken niet mogelijk. Dat verklaart waarom de soort pas in 1989 werd erkend. Van de andere muizen van het gebergte is hij eenvoudig te onderscheiden: de huismuis is doffer en grijzer, zonder scherpe buikgrens; de sneeuwmuis is een woelmuis met een stompe snuit, grijze vacht, kleine oortjes en lange snorharen; en de woelmuizen van de almen hebben allemaal een staart die veel korter is dan het lichaam.

Leefgebied

Bergbos: licht loof-, gemengd en naaldbos van de montane tot de subalpiene zone, met sparren-zilverspar-beukenbos en zuiver sparrenbos als kerngebied. De soort gebruikt plekken met zowel licht als dekking: open plekken, kapvlakten, bosranden en steile hellingbossen met veel dood hout en steenblokken. Boven de boomgrens komt hij voor in dwergstruikheide en op almweiden. In Oostenrijk is hij gevonden tussen 550 en 2200 m, met de meeste waarnemingen in de montane zone. Hij komt ook in open landschap voor, mits er structuur en dekking aanwezig zijn.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Uitsluitend de Alpen: Zuidoost-Frankrijk, Zwitserland, Liechtenstein, Zuid-Duitsland, Oostenrijk en Noord-Italië. In Oostenrijk is de soort bekend uit de Noordelijke Kalkalpen en de Centrale Alpen, in Zwitserland vooral uit Graubünden en Wallis. De werkelijke dichtheid van vindplaatsen en de populatiegrootte zijn niet goed bekend: omdat de soort pas sinds 1989 apart wordt geregistreerd en alleen met het dier in de hand met zekerheid te determineren is, worden nog steeds nieuwe provincies en dalen aan het bekende areaal toegevoegd. In Oberösterreich waren tot en met 2016 vijf vindplaatsen bekend. Buiten de Alpen komt de soort niet voor.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief, klimt en springt goed, en houdt geen winterslaap: hij is het hele jaar actief, ook onder de sneeuw, en leeft in de winter van aangelegde voorraden. Het voedsel verschuift sterk met het seizoen: in april bestaat het voor meer dan de helft uit insecten, later in het jaar vooral uit zaden, vruchten en kruiden. De wintervoorraad verschilt van die van de verwante soorten: boomzaad speelt er nauwelijks een rol in, en de voorraad is voedselarmer. De voortplanting loopt van april tot augustus of september, met twee tot drie worpen per jaar van gemiddeld vijf tot zes jongen; vrouwtjes uit een vroege worp worden nog in hetzelfde jaar geslachtsrijp. De levensverwachting is ongeveer een jaar, zoals bij alle bosmuizen. Nesten liggen onder boomwortels, onder stenen en in gangen. Predatoren zijn bosuil, ruigpootuil, hermelijn, vos en marters; in de Alpen is de soort een vast onderdeel van het voedsel van de roofdieren van het bergbos.

Waar en wanneer kijken

Determinatie in het veld is meestal niet mogelijk. Om het dier te zien kun je in een bergbos in Oostenrijk, Zwitserland of Beieren tussen zeshonderd en tweeduizend meter op een windstille zomeravond met een rode zaklamp bij een stapel dood hout of een blokkenveld wachten. Een langsspringende muis is dan een van de drie Apodemus-soorten van de Alpen; de lange staart, duidelijk langer dan het lichaam, is de enige aanwijzing die op afstand zichtbaar is. Zekere waarnemingen komen vrijwel uitsluitend uit vangonderzoek, waarin achtervoet, staart en buikkleur worden gemeten, en uit braakballen, via schedelmetingen. Meld een waarneming zonder maten als Apodemus spec.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016). De soort is over de hele Alpenboog verspreid en er zijn geen aanwijzingen voor achteruitgang, maar de beoordeling berust op minder gegevens dan bij vrijwel elk ander Europees knaagdier, omdat de soort pas sinds 1989 apart wordt geregistreerd. Mogelijke bedreigingen zijn versnippering van bosgebieden, omdat de soort als bewoner van bergbos met een klein areaal afhankelijk is van samenhangende boscomplexen, en knaagdierbestrijding in de bosbouw, waarbij niet wordt vastgesteld welke muizensoort wordt bestreden. Voor een soort die endemisch is voor één gebergte is de gegevensbasis beperkt, en aanvullend veldonderzoek is nodig.

Wetenschappelijke naam

Apodemus alpicola | Heinrich, 1952

Heinrich beschreef de soort in 1952 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Apodemus is Grieks, van apodēmos 'weg van huis, buitenshuis'. alpicola is Latijn voor 'alpenbewoner', van Alpes en colere 'bewonen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland, Osterachtal.