Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Siberische grondeekhoorn

Siberische grondeekhoorn | Eutamias sibiricus

Tamias sibiricus | Eutamias sibiricus

De Siberische grondeekhoorn is de enige gestreepte eekhoorn in Europa en is hier een uitgezette exoot. Het natuurlijke areaal ligt in de taiga tussen de Oeral en Japan; naar Europa is de soort als kooidier gekomen. Tussen 1960 en 1980 zijn meer dan tweehonderdduizend dieren uit Zuid-Korea naar Europa verscheept, en ontsnapte of losgelaten dieren hebben zich op een klein aantal plaatsen gevestigd, het grootst in het Zoniënwoud bij Brussel. Sinds 2016 staat de soort op de Unielijst van invasieve exoten.

Siberische grondeekhoorn (Eutamias sibiricus)
Foto: Frank Vassen — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het spoor van deze soort is geen aardhoop maar een voorraad en een gat. De holingang is klein, drie tot vijf centimeter, ongeveer zo groot als een muizengat maar ronder, en ligt onder een boomstronk, tussen wortels, onder een steen, in een talud of onder een schuurtje. Anders dan bij de grondeekhoorns van de steppe ligt er geen aardwaaier voor: het uitgegraven zand wordt weggedragen en verspreid, zodat de ingang weinig opvalt. Bruikbaarder zijn vraatsporen: hazelnoten met een ruwe, rafelige opening, beukennootjes en eikels met knaagsporen, en vooral uitgeplozen dennen- en sparrenkegels op een vaste eetplaats op een stronk, steen of omgevallen stam, met daaronder een hoopje schubben en kernen. In de herfst worden vaste looproutes over stammen en langs paden gebruikt, en dan is het dier zelf, dat met gevulde wangzakken heen en weer rent, het best te vinden. Keutels zijn zeer klein, donker en rijstkorrelvormig. De soort roept veel, met een hard, herhaald tsjuk-tsjuk-tsjuk en een scherpe triller, geluiden die van geen inheems Europees bosdier afkomstig zijn.

In zijn leefgebied

Siberische grondeekhoorn, etend op een omgevallen stam in het zoniënwoud: dood hout in een dichte struiklaag is het leefgebied van de grootste europese bevolking, die hier sinds ongeveer 1970 zit
Etend op een omgevallen stam in het Zoniënwoud: dood hout in een dichte struiklaag is het leefgebied van de grootste Europese bevolking, die hier sinds ongeveer 1970 zit · Foto: Frank Vassen — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Siberische grondeekhoorn, kop van dichtbij, mount oike in japan: de donkere strepen lopen door tot boven en door het oog, en de oren zijn klein, rond en zonder pluimpjes
Kop van dichtbij, Mount Oike in Japan: de donkere strepen lopen door tot boven en door het oog, en de oren zijn klein, rond en zonder pluimpjes · Foto: Alpsdake — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Klein en slank, kop-romp 12 tot 17 cm, met een lange, platte, borstelige staart van 8,5 tot 13 cm, bijna zo lang als de romp, en een gewicht van 55 tot 135 gram, hooguit een derde van een gewone eekhoorn. Het kenmerk is de tekening: over de rug lopen vijf zwartbruine en vier lichte lengtestrepen van de schouders tot de stuit, en over de kop lopen smallere donkere strepen door en boven het oog. De grondkleur is geelbruin tot grijsbruin, de buik wit, de flanken roestkleurig. De oren zijn klein, rond en zonder pluimen. De wangzakken zijn ruim en vaak zichtbaar gevuld; een dier met bolle wangen is voedsel aan het verzamelen. De soort loopt over de grond met de staart laag, klimt goed maar springt niet van boom tot boom, en vlucht bij gevaar een gat in de grond in en niet omhoog.

Gelijkende soorten

Geen inheems Europees zoogdier van dit formaat heeft lengtestrepen over de rug. De eekhoorn is twee tot drie keer zo zwaar, effen rood tot zwart, met een dikke pluimstaart en in de winter oorpluimen, en leeft in de boomkronen. De eikelmuis heeft een zwart masker over het oog in plaats van strepen over de rug, is nachtactief en heeft een staart met een zwart-witte kwast. De hazelmuis is oranje, veel kleiner en nachtactief. De grondeekhoorns van het geslacht Spermophilus zijn plomper, ongestreept en kortstaartig, en leven op open steppe en grasland. De enige soort waarmee verwarring reëel is, is de Amerikaanse gestreepte grondeekhoorn (Tamias striatus), die in Europa als kooidier wordt gehouden maar zich nergens heeft gevestigd; die is groter en roodbruiner, en de strepen houden op de flanken op in plaats van door te lopen tot op de kop.

Leefgebied

In het natuurlijke areaal naald- en gemengd bos van de taiga, met een voorkeur voor een onderlaag van omgevallen stammen, wortelkluiten en struikgewas. In Europa vooral gemengd loof- en naaldbos met een dichte struiklaag, bospercelen met veel dood hout, stadsbossen, oude begraafplaatsen, parken en volkstuinen. Vereist zijn graafbare bodem en een ruime en betrouwbare zaadoogst van hazelaar, beuk, eik of spar, omdat de soort de winter doorkomt op opgeslagen voedsel. In het Zoniënwoud is de dichtheid het hoogst waar beuk, hazelaar en een dichte struiklaag samenkomen.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het natuurlijke areaal loopt van de Oeral door Siberië tot Kamtsjatka, Mongolië, Noord-China, Korea, Hokkaido en de Koerilen; het is de enige soort van de gestreepte grondeekhoorns buiten Noord-Amerika. In Europa is de soort uitgezet. De grootste en oudste Europese populatie leeft in het Zoniënwoud bij Brussel, waar ze sinds ongeveer 1970 voorkomt en zich over duizenden hectare heeft verspreid; het park van Rouge-Cloître is de bekendste plek. In Frankrijk leeft de soort sinds de jaren zeventig in de bossen rond Parijs, met het Forêt de Sénart in de Essonne als bekendste kolonie en ongeveer tien andere plaatsen in Île-de-France. In Duitsland hebben zich populaties gevestigd op begraafplaatsen en in stadsparken (Freiburg, Münster, Aschaffenburg), waarvan enkele weer zijn verdwenen; in Italië bij Belluno, Verona en Rome, en verder zijn er kleine vestigingen in Zwitserland, Oostenrijk en Nederland. In Nederland gaat het om ontsnapte en losgelaten dieren en kleine, plaatselijke vestigingen, zonder een grote, aaneengesloten populatie. Op de Britse Eilanden en het Iberisch Schiereiland is de soort niet gevestigd. Vrijwel elke Europese populatie gaat terug op losgelaten of ontsnapte kooidieren uit de dierenhandel. Vanuit een kern breidt de soort zich langzaam uit, met ongeveer tweehonderd tot tweehonderdvijftig meter per jaar.

  • Ingeburgerd
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Dagactief, met een piek kort na zonsopgang en een tweede in de late namiddag. Anders dan de eekhoorn is dit een bodemdier dat kan klimmen: het foerageert op de grond, gebruikt stammen als uitkijk- en eetplaats en slaapt in een zelfgegraven gangenstelsel met een nestkamer en een of meer voorraadkamers. Het voedsel bestaat uit zaden en noten, zoals dennen- en sparrenzaad, hazelnoten, beukennoten en eikels, en daarnaast knoppen, paddenstoelen, bessen, insecten, slakken en soms een vogelei. Wat niet direct wordt gegeten, gaat in de wangzakken naar de voorraadkamer: in één hol is tot twee kilo, uitzonderlijk zes kilo zaad gevonden. Daarvan leeft het dier in de winter, want de soort houdt geen echte winterslaap maar winterrust: van oktober of november tot maart of april blijft ze in het hol, koelt af tot enkele graden, maar wordt om de paar dagen wakker en eet van de voorraad. Daarin verschilt ze van de soeslikken, die geen voorraad aanleggen en op hun vetreserve teren. De dieren zijn territoriaal en solitair; een dier gebruikt zevenhonderd tot vierduizend vierkante meter. Na de winterrust wordt in maart of april gepaard; na 28 tot 35 dagen worden drie tot acht jongen geboren, die na ongeveer zeven weken zelfstandig zijn. In het wild is de levensduur drie tot vier jaar.

Waar en wanneer kijken

In het Zoniënwoud bij Brussel is het gebied rond de vijvers van Rouge-Cloître in Oudergem goed bereikbaar met tram en te voet. Ga er in september of oktober in de vroege ochtend heen, wanneer de dieren de hele dag voorraad aanleggen en weinig op wandelaars reageren; april en mei zijn de op een na beste maanden. Loop langzaam over de brede paden en let op beweging op de grond en op omgevallen stammen; het harde tsjuk-tsjuk is vaak eerder te horen dan het dier te zien is. Voer de dieren niet; het is een exoot, en de dieren zijn er al zeer tam. In het Forêt de Sénart bij Parijs gelden dezelfde aanwijzingen. Waarnemingen buiten de bekende populaties kun je melden bij de nationale meldpunten voor exoten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016) in het natuurlijke areaal, waar de soort van de Oeral tot Japan algemeen is. In Europa staat ze sinds 3 augustus 2016 op de Unielijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten: handel, bezit, fok en loslaten zijn verboden, en de lidstaten moeten gevestigde populaties beheren. Voor verdringing van de eekhoorn is weinig bewijs. Het belangrijkste bezwaar is de rol als gastheer voor teken: onderzoek in het Forêt de Sénart bij Parijs liet zien dat de soort veel meer larven en nimfen van de schapenteek draagt dan de inheemse bosmuis en rosse woelmuis, en dat ze de bacterie van de ziekte van Lyme effectief overdraagt. Waar de dichtheid hoog is, neemt het besmettingsrisico voor wandelaars toe. Daarnaast eet de soort zaad, knoppen en eieren van bosvogels. Uitroeiing van een gevestigde populatie zoals die in het Zoniënwoud wordt niet haalbaar geacht; het beleid richt zich op het voorkomen van nieuwe vestigingen, die alle het gevolg zijn van ontsnapte of losgelaten kooidieren.

Wetenschappelijke naam

Eutamias sibiricus | (Laxmann, 1769) (GBIF: Tamias sibiricus)

Laxmann beschreef de soort in 1769 als Sciurus Sibiricus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Eutamias is Grieks, van eu 'goed, echt' en tamias 'rentmeester, wie voorraden beheert': de echte wangzakeekhoorn. sibiricus betekent 'Siberisch'; Laxmann beschreef het dier uit het zuiden van Siberië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland, Barnaul.