Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Grijze eekhoorn

Grijze eekhoorn | Sciurus carolinensis

Eastern Gray Squirrel | Sciurus carolinensis

De grijze eekhoorn is een Noord-Amerikaanse boomeekhoorn die in Groot-Brittannië, Ierland en Noord-Italië is ingevoerd. In Groot-Brittannië en Ierland heeft hij de gewone eekhoorn in een groot deel van het areaal vervangen. Dat gebeurde niet door rechtstreekse verdrijving, maar doordat de grijze eekhoorn zwaarder is, meer op de grond foerageert, eikels verteert die de gewone eekhoorn niet kan benutten en drager is van een virus waar hij zelf niet ziek van wordt. In Noord-Italië breidt hij zich uit in de Po-vlakte, tot aan de voet van de Alpen.

Grijze eekhoorn (Sciurus carolinensis)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De vraatsporen van grijze en gewone eekhoorn zijn niet van elkaar te onderscheiden. Beide houden een dennenkegel in de voorpoten en knagen de schubben er van de voet af tot op de spil, zodat een ruwe spil overblijft met stoppels en een kuifje onaangetaste schubben aan de top; beide splijten een hazelnoot in twee halve schalen of knagen er een groot, rafelig gat in; beide gebruiken vaste eetplaatsen op een stronk of een dikke tak. Waar beide soorten voorkomen, wijst een afgeknaagde kegel dus alleen op de aanwezigheid van een eekhoorn. Twee sporen zijn wel bruikbaar. Het eerste is het schillen van bomen: van april tot juli knaagt de grijze eekhoorn, meestal een twee- tot vierjarig dier, de bast van jonge beuken, esdoorns en eiken weg om bij het sappige cambium te komen, in brede, onregelmatige plekken hoog aan de stam of op de dikke zijtakken; de kroon erboven sterft daarna af. Beukenbos met kale plekken op ongeveer tien meter hoogte en dode toppen is in Engeland een duidelijke aanwijzing. De gewone eekhoorn doet dit hooguit incidenteel en niet op die schaal. Het tweede is het sprongspoor in sneeuw of stof: vier prenten in een groepje, met de grotere vijftenige achtervoeten naast elkaar vóór de kleinere viertenige voorvoeten, en een sprongafstand van een halve tot ruim een meter. De vorm is bij alle boomeekhoorns gelijk; alleen de maat verschilt. Verder de nestbol van takken met blad, 30 tot 50 cm doorsnede, tegen de stam of in een vork, vaak meerdere in één boom; ook die is niet van die van de gewone eekhoorn te onderscheiden. In Britse tuinen: leeggehaalde voedersilo's met pinda's, opengebroken nestkasten en omgewoelde bloembakken met verstopte noten.

Grijze eekhoorn, sprongspoor van een boomeekhoorn in verse sneeuw, maine: de twee grotere vijftenige achtervoeten staan naast elkaar vóór de twee kleinere viertenige voorvoeten — de vorm is bij grijze en gewone eekhoorn gelijk en alleen het formaat scheelt
Sprongspoor van een boomeekhoorn in verse sneeuw, Maine: de twee grotere vijftenige achtervoeten staan naast elkaar vóór de twee kleinere viertenige voorvoeten — de vorm is bij grijze en gewone eekhoorn gelijk en alleen het formaat scheelt · Foto: Chris Light — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Grijze eekhoorn, op de grond in de parchi di nervi bij genua, een van de drie italiaanse kernen: hier valt de brede zilverwitte zoom van de staart in het zonlicht goed te zien
Op de grond in de Parchi di Nervi bij Genua, een van de drie Italiaanse kernen: hier valt de brede zilverwitte zoom van de staart in het zonlicht goed te zien · Foto: SteGrifo27 — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Grijze eekhoorn, kop van dichtbij, oxfordshire: kale ronde oren zonder enig pluimpje, een smalle lichte ring om het oog en de gebandeerde grijze haren waaraan de vacht zijn gespikkelde indruk ontleent
Kop van dichtbij, Oxfordshire: kale ronde oren zonder enig pluimpje, een smalle lichte ring om het oog en de gebandeerde grijze haren waaraan de vacht zijn gespikkelde indruk ontleent · Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een forse boomeekhoorn, kop-romp 20 tot 31 cm en 300 tot 710 gram, duidelijk zwaarder en breder gebouwd dan de gewone eekhoorn. De vacht is gespikkeld grijs door haren met zwarte en witte banden; in de zomer ligt er een roestbruine zweem over kop, flanken en poten, die verwarring kan geven. De buik is scherp afgetekend wit. De staart is grijs met een brede zilverwitte zoom, die bij tegenlicht goed zichtbaar is. Het beslissende kenmerk: de soort heeft nooit oorpluimen, in geen enkel seizoen; de oren zijn kort, rond en kaal. Rond het oog ligt een smalle lichte ring. Zwarte (melanistische) dieren komen plaatselijk voor, vooral in Engeland en Italië, en zijn aan formaat en staartzoom te herkennen. De grijze eekhoorn beweegt zich zwaarder en trager door de kroon dan de gewone eekhoorn en brengt veel meer tijd op de grond door.

Gelijkende soorten

De gewone eekhoorn is de belangrijkste verwarringssoort. Het onderscheid is niet eenvoudig: veel gewone eekhoorns zijn grijsbruin tot bijna zwart en veel grijze eekhoorns hebben roestbruine flanken. Gebruik daarom drie kenmerken samen. De oren: in de winter en het vroege voorjaar heeft de gewone eekhoorn lange oorpluimen en de grijze nooit; tijdens de zomerrui verliest ook de gewone eekhoorn zijn pluimen. De staart: bij de grijze eekhoorn grijs met een brede witte zoom, bij de gewone eenkleurig roodbruin tot roomwit, zonder zoom. Formaat en houding: de grijze is een derde tot de helft zwaarder, breder in de rug en zit veel vaker op de grond. Beide soorten hebben een witte buik. In Noord-Italië kan ook de ingevoerde Amerikaanse voseekhoorn voorkomen; die is groter en aan de onderzijde oranjebruin. Op het Europese vasteland buiten Italië komt de grijze eekhoorn niet voor; een melding daar vraagt om een foto.

Leefgebied

Het optimale leefgebied is loofbos en gemengd bos met een rijke zaadzetting van eik, beuk, tamme kastanje en hazelaar; in dat bostype is de gewone eekhoorn ten opzichte van de grijze in het nadeel. Daarnaast parkbos, landgoederen, houtwallen, begraafplaatsen, volkstuinen, stadsparken en tuinen tot in stadscentra; in Londen, Dublin en Turijn is de soort algemeen in parken en straten en laat ze mensen tot op een meter naderen. In zuiver naaldbos doet de grijze eekhoorn het minder goed dan de gewone eekhoorn; in de grote spar- en dennenbossen van Schotland en Noord-Engeland ligt daarom de belangrijkste grens tussen beide soorten.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Oorspronkelijk in het oosten van Noord-Amerika, van zuidelijk Canada tot Florida en Texas. In Europa zijn er drie introductiegebieden. Groot-Brittannië: vanaf 1876 zijn ongeveer dertig keer dieren uitgezet, te beginnen in Henbury Park in Cheshire, tot invoer en uitzetten in 1937 werden verboden; de soort bezet sindsdien vrijwel heel Engeland en Wales en het zuiden van Schotland, met naar schatting ongeveer 2,7 miljoen dieren. Ierland: in 1911 werden twaalf dieren als huwelijksgeschenk losgelaten bij Castle Forbes in County Longford; de hele Ierse populatie stamt van deze twaalf dieren af. Italië: in 1948 vier dieren bij Stupinigi ten zuiden van Turijn, in 1966 een tweede kern in de parken van Nervi bij Genua, in 1994 een derde bij Trecate; van daaruit breidt de soort zich uit over Piëmont, Lombardije en Ligurië, met losse kernen tot in Umbrië. Op het Europese vasteland buiten Italië komt de soort niet voor. Het beheer in Italië is erop gericht uitbreiding buiten de Po-vlakte, onder meer naar Frankrijk en van daaruit naar de rest van het continent, te voorkomen.

  • Ingeburgerd
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Dagactief, met een piek vroeg in de ochtend en laat in de middag en in de zomer een rustperiode rond het middaguur. Er is geen winterslaap, maar bij storm en strenge vorst blijft het dier dagenlang in de nestbol. Het voedsel bestaat vooral uit boomzaden (eikels, beukennootjes, tamme kastanjes, hazelnoten, esdoornzaad, dennenzaad), aangevuld met knoppen, bloemen, bast, cambium, paddenstoelen, insecten en af en toe eieren en jonge vogels. In de herfst worden duizenden noten één voor één in ondiepe kuiltjes begraven en op geheugen en reuk teruggevonden; bij eikels van witte eiken wordt de kiem eruit gebeten, zodat ze in de grond niet ontkiemen. De soort heeft geen territorium maar een netwerk van overlappende leefgebieden, waarin verwante vrouwtjes bij elkaar blijven. Twee worpen per jaar, in de late winter en in de zomer, na 44 dagen dracht, van twee tot acht jongen in een nestbol of boomholte; de jongen komen na zeven of acht weken naar buiten. In het wild worden weinig dieren ouder dan vijf of zes jaar.

Waar en wanneer kijken

In Groot-Brittannië en Ierland komt de soort in vrijwel elk stadspark en op begraafplaatsen voor en laat ze mensen tot op een meter naderen. Daar zijn de kenmerken goed te bestuderen die bij de determinatie elders in Europa het belangrijkst zijn: de brede witte staartzoom, de kale ronde oren en de zware bouw. In Noord-Italië is de soort het gemakkelijkst te zien in de parken van Nervi bij Genua en in het park van Stupinigi bij Turijn, waar de eerste Italiaanse introductie plaatsvond. Kijk in hetzelfde bos ook naar de bomen: kale plekken in de bast en dode toppen wijzen op de aanwezigheid van de soort.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2016); die beoordeling betreft vooral het Noord-Amerikaanse areaal, waar de soort algemeen is en bejaagd wordt. In Europa staat de grijze eekhoorn sinds 3 augustus 2016 op de Unielijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten (Verordening 1143/2014): houden, kweken, vervoeren, verhandelen en loslaten zijn verboden en de lidstaten moeten de soort uitroeien of beheersen; het Verenigd Koninkrijk heeft na de brexit een eigen, vergelijkbaar verbod behouden. Het belangrijkste gevolg betreft de gewone eekhoorn, die op drie manieren wordt verdrongen: de grijze eekhoorn is zwaarder en haalt meer voedsel uit hetzelfde bos, hij kan onrijpe eikels met hun looistoffen verteren en de gewone eekhoorn niet, en hij draagt het eekhoornpokkenvirus zonder ziek te worden, terwijl de gewone eekhoorn eraan sterft. In Groot-Brittannië en Ierland is de gewone eekhoorn daardoor teruggedrongen tot enkele tientallen kerngebieden. In Ierland keert de gewone eekhoorn terug waar de boommarter terugkeert, omdat de zwaardere, tragere en meer op de grond levende grijze eekhoorn gemakkelijker wordt gevangen. Daarnaast is er schade aan de bosbouw: het schillen van jonge beuken, esdoorns en eiken maakt de teelt van loofhout in grote delen van Engeland en Wales vrijwel onmogelijk en kost bosbeheerders miljoenen. In Groot-Brittannië wordt de soort op grote schaal gevangen en geschoten, en wordt orale anticonceptie als alternatief onderzocht; in Italië is het beheer gericht op het insluiten van de kernen voordat ze samengroeien. Een uitroeiingsprogramma in Piëmont dat in 1997 begon, werd door een rechtszaak stilgelegd; in de jaren daarna breidde de soort zich zo ver uit dat uitroeiing niet meer mogelijk was.

Wetenschappelijke naam

Sciurus carolinensis | J. F. Gmelin, 1788

J. F. Gmelin beschreef de soort in 1788 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Sciurus is het Latijnse woord voor 'eekhoorn', uit het Griekse skiouros, van skia 'schaduw' en oura 'staart': het dier dat zich met zijn staart beschaduwt. carolinensis betekent 'van Carolina', de Noord-Amerikaanse kolonie waaruit Gmelin het dier beschreef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Verenigde Staten, Carolina.