Alle soorten › Knaagdieren › Blindmuizen › Spalax antiquus
Spalax antiquus | Spalax antiquus
Mehely's Blind Mole-rat | Spalax antiquus
Spalax antiquus is een grote blindmuis die endemisch is in de Transsylvanische vlakte in Centraal-Roemenië; een Nederlandse naam heeft de soort niet. Méhelÿ beschreef het taxon in 1909 niet naar levende dieren maar naar botmateriaal uit archeologische opgravingen. Hij wees twaalf syntypen uit vijf Roemeense plaatsen aan zonder een lectotype te kiezen, zodat de typelocatie tot op heden alle vijf plaatsen omvat. Een eeuw lang gold het taxon als ondersoort of synoniem van Spalax graecus; in 2013 toonden Németh en collega's met mitochondriaal DNA en schedelmetingen aan dat graecus, antiquus en istricus drie goed afgegrensde soorten zijn. In het Roemeens heet het dier orbete.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Het dier zelf wordt vrijwel nooit gezien; de grote aardhopen wel. Een blindmuishoop is breed en laag in plaats van kegelvormig, bestaat uit grove kluiten in plaats van fijne kruimels en heeft nooit een open gangopening, omdat de gang van binnenuit wordt dichtgestopt. Bij Spalax liggen de hopen dicht bijeen, zodat het terrein omgewoeld lijkt in plaats van een enkele rij te tonen; een bewoond stelsel is daardoor al van twintig meter afstand herkenbaar. Een molshoop is kleiner, hoger, fijner van korrel en komt uit een verticale schacht. Onder de grond ligt een ondiep netwerk van voedselgangen op twintig tot vijfendertig centimeter, en daaronder, via verticale schachten bereikbaar, de diepe kamers: een met gras bekleed nest, aparte voorraadkamers en latrines. Verder zijn er afgeknaagde wortels, knollen en wortelstokken in de gang, en plekken aan de oppervlakte waar een plant van onderaf is weggetrokken. Drie predatoren zijn met zekerheid vastgesteld: ruigpootbuizerd, bonte kraai en hond; resten in braakballen en aan dorpsranden leveren in Transsylvanië een deel van de verspreidingsgegevens.
Herkenning
Een grote blindmuis: halsloos en cilindrisch, met een brede, platte, wigvormige kop, een zware voorhand en een fluweelzachte, matig lange vacht die op de rug geelbruin is en op buik en kop grijzer, plaatselijk met een roodachtige zweem. Oorschelpen ontbreken, de ogen zijn kleine lenzen onder een gesloten huidplooi, en een uitwendige staart ontbreekt. Vanaf de kale neusspiegel loopt een rand van lichte, stugge haren naar achteren in de richting van de oorstreek, en de snijtanden steken vóór de lippen uit. Voor deze soort zijn geen eigen maten gepubliceerd, zoals het Handbook of the Mammals of the World vermeldt; de maten van S. graecus worden niet overgenomen. Het chromosoomgetal is 2n = 62; binnen Spalax komen 2n = 60 en 62 voor. De verschillen met de verwante soorten liggen in de schedel en het DNA, niet in uitwendige kenmerken.
Gelijkende soorten
Aan een levende blindmuis is de soort niet vast te stellen. Binnen Spalax helpt ook het chromosoomgetal niet: alle Spalax-soorten hebben 2n = 60 of 62, en de scheiding berust op neusbeenderen, kaakdetails en mitochondriaal DNA. In het veld is alleen het areaal bruikbaar, en dat is hier scherp begrensd: in de Transsylvanische vlakte is dit de enige blindmuis. Ten oosten van de Karpaten begint het areaal van S. graecus, ten zuiden ervan, in de Walachijse vlakte, leefde S. istricus, en in Dobroedzja en het Banaat leven de veel kleinere Nannospalax-soorten. Het onderscheid tussen de twee geslachten is wel met het oog te maken en is het enige veldkenmerk in deze groep: een Spalax is twintig tot ruim dertig centimeter lang en weegt vier- tot zevenhonderd gram; een Nannospalax weegt ongeveer zoveel als een grote rat en haalt zelden een halve kilo. Dit verschil is ook met DNA bevestigd (Németh en collega's, 2013). De aardhopen tonen het verschil nog duidelijker: een Spalax maakt een dicht veld van hopen op één tot twee meter van elkaar, terwijl de hopen van een Nannospalax in een dunne lijn liggen met twintig tot dertig meter ertussen. Verder zijn uit te sluiten de mol, kleiner, met schopvormige voorpoten en een kort staartje, en de woelrat, met gewone oren, ogen en staart.
Leefgebied
De grazige vlakten van het Transsylvanisch Bekken: steppe- en bossteppegraslanden op diepe, losse lössgrond, tegenwoordig vrijwel geheel in gebruik als weide. De soort mijdt zwaar begraasd land: ze is afhankelijk van de ondergrondse voorraad aan bollen, knollen en dikke wortels, die verdwijnt wanneer de vegetatie tot op de grond wordt afgegraasd. Verder vereist ze wat alle verwante soorten vereisen: diepe, goed doorlatende grond, zonder wateroverlast, rots of gesloten bos. Intensief bewerkt bouwland is ongeschikt: diepploegen vernielt het gangenstelsel en doodt de dieren die erin leven.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Uitsluitend Centraal-Roemenië. De soort is endemisch in de Transsylvanische vlakte, met bekende kernen in de districten Cluj, Mureș, Bistrița-Năsăud en Alba. De typelocatie omvat vijf plaatsen, Apahida, Nădășelu, Lechința de Mureș bij Târgu Mureș, Gherla en Someșeni, alle in Cluj en Mureș, omdat Méhelÿ geen lectotype aanwees. Volgens de recentste schatting heeft het areaal een verspreidingsgebied van ongeveer 2100 vierkante kilometer en een werkelijk bezet oppervlak van 366 vierkante kilometer, verdeeld over ten minste vier van elkaar gescheiden kernen; uit het zuiden en zuidoosten van de Transsylvanische vlakte is de soort waarschijnlijk verdwenen. Op de Britse Eilanden, in de Lage Landen en op het Iberisch Schiereiland komen geen blindmuizen voor.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Volledig ondergronds levend, het hele etmaal actief, met de meeste graafactiviteit aan het begin en het eind van de dag; bovengronds komen de dieren vrijwel alleen wanneer jongen zich verspreiden. De soort houdt geen winterslaap en geen winterrust en leeft de winter door op de voorraadkamers. Het voedsel bestaat uit bollen, knollen, wortelstokken en dikke wortels; over het dieet van deze soort afzonderlijk is niets gepubliceerd, en de gegevens zijn ontleend aan verwante soorten. De dieren leven solitair en dulden geen soortgenoten in hun gangenstelsel. In Transsylvanië zijn dichtheden van 2,7 tot 3,7 dieren per hectare gemeten, en de wereldpopulatie wordt geschat op 3550 tot 3800 volwassen dieren. Met één worp per jaar en vrouwtjes die zich pas in hun tweede jaar voortplanten, herstelt een verdwenen kolonie zich niet vanzelf.
Waar en wanneer kijken
Ga in maart of april naar de Câmpia Transilvaniei, het heuvelige weideland tussen Cluj-Napoca, Gherla en Târgu Mureș, vroeg in de ochtend, wanneer het gras nog laag staat en verse aarde donker afsteekt, en kijk over het terrein in plaats van vlak voor je. Een bewoond stelsel is te herkennen aan een groep brede, lage, grofkluitige hopen dicht bij elkaar in het gras; verse, vochtige aarde betekent dat het dier er nu leeft, begroeide hopen dat het stelsel verlaten is. Zoek bij voorkeur op percelen die niet kaal zijn afgegraasd, omdat de soort daar voorkomt. Graven heeft geen zin en verstoort een bedreigde soort. Meld vondsten: de kennis van de Roemeense verspreiding is voor een groot deel gebaseerd op meldingen van nieuwe hopen, en onbekende kolonies kunnen niet worden beschermd.
Staat van instandhouding
Bedreigd (EN, 2024). De beoordeling betreft de soort in haar huidige afgrenzing en niet een verzamelsoort. De criteria zijn die van een klein en krimpend areaal: een verspreidingsgebied van ongeveer 2100 vierkante kilometer, een bezet oppervlak van 366 vierkante kilometer, enkele van elkaar gescheiden kernen, en een leefgebied dat in omvang, oppervlak en kwaliteit blijft afnemen. De oorzaken zijn het scheuren van grasland en het diepploegen van de vruchtbare lössgronden, omzetting naar eenvormige akkers, overbegrazing, bebouwing en wegaanleg. Daarnaast spelen de risico's van kleine, geïsoleerde populaties, namelijk inteelt en het uitblijven van herkolonisatie na een plaatselijk verlies, en in de buurt van dorpen het opzettelijk doden van dieren die als schadelijk worden beschouwd. Ook klimaatverandering is voor deze geïsoleerde kernen als risico aangemerkt. Omdat het dier zelden wordt gezien, verdwijnen kolonies meestal onopgemerkt.
Wetenschappelijke naam
Spalax antiquus | Méhelÿ, 1909
Méhelÿ beschreef de soort in 1909 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Spalax is het Griekse spalax, ook aspalax, 'mol'. antiquus is Latijn voor 'oud, uit vroeger tijd'; Méhely beschreef het dier als een ouderwetse vorm naast Spalax graecus, maar zegt niet waarom. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Roemenië, Cluj.



