Alle soorten › Knaagdieren › Blindmuizen › Spalax arenarius
Spalax arenarius | Spalax arenarius
Sandy Mole Rat | Spalax arenarius
Spalax arenarius is een blindmuis die uitsluitend voorkomt in de Oleshky-zanden op de linkeroever van de benedenloop van de Dnjepr, het grootste stuifzandgebied van Europa; een Nederlandse naam heeft de soort niet. Het areaal beslaat ongeveer drieduizend vierkante kilometer, het kleinste verspreidingsgebied van alle Oekraïense zoogdieren. Reshetnik beschreef het taxon in 1939 als ondersoort van Spalax polonicus, naar dieren van Hola Prystan bij de Zwarte Zee; Ognev verhief het in 1947 tot soort, en die status wordt sindsdien breed aanvaard. De soort staat in het Rode Boek van Oekraïne en is afgebeeld op een Oekraïense munt; sinds 2022 ligt het areaal in de frontzone.
Sporen
De aardhopen zijn meestal het enige wat van dit dier wordt gezien, en op het bleke zand zijn ze goed zichtbaar: ronde, brede, laag gewelfde hopen van vijfendertig tot drieënnegentig centimeter breed en twintig tot vijfenveertig centimeter hoog, opgebouwd uit grove kluiten, zonder zichtbare gangopening, omdat de gang van binnenuit wordt dichtgestopt, en liggend in groepen waardoor het terrein omgewoeld lijkt. Verse hopen zijn donker en vochtig; oudere hopen verbleken tot een vlakke, lichte plek waar de vegetatie is verstikt, en zulke kale plekken blijven jarenlang zichtbaar. Onder de grond lopen de voedselgangen op veertig tot vijftig centimeter diepte, met een totale lengte tot tweehonderd meter; via verticale schachten zijn ze verbonden met kamers op iets meer dan een meter diepte. Een dier gebruikt een gebied van meer dan tachtig vierkante meter. In voorraadkamers is tien tot vijftien kilo verzameld wortelmateriaal aangetroffen. Verder zijn er afgeknaagde wortels van kruisdistel, veldalsem en morgenster in de gang, en aan de oppervlakte plekjes waar een plant van onderaf is weggetrokken.


De kop van dichtbij

Herkenning
Een grote, opvallend bleke blindmuis van 19 tot 27,5 centimeter en 380 tot 660 gram; mannetjes zijn groter dan vrouwtjes. De vacht is lichtgeel strogrijs, de bleekste van alle Europese blindmuizen, met een lichter grijswit voorhoofd en een bleek muisgrijze buik. Vanaf de neusspiegel loopt een rand van bleek geelgrijze haren naar achteren tot aan de oorstreek. Verder is de bouw die van alle verwante soorten: halsloos en cilindrisch, met een brede, platte kop, een zware voorhand, geen oorschelpen, geen zichtbare ogen en geen uitwendige staart; voor de staart geeft geen van de geraadpleegde bronnen een maat. De snijtanden steken vóór de lippen uit. Het chromosoomgetal is 2n = 62; binnen Spalax komen 2n = 60 en 62 voor.
Gelijkende soorten
Binnen het eigen geslacht is de soort op zicht niet te herkennen: alle Spalax-soorten hebben 2n = 60 of 62, zodat ook een chromosoompreparaat geen uitsluitsel geeft, en de scheiding berust op schedelkenmerken en mitochondriaal DNA. De zustersoort is S. zemni, waarvan deze soort door de Dnjepr is gescheiden: zemni leeft op de rechteroever, arenarius op de linkeroever. De bleke vacht en de zandbodem zijn een aanwijzing, geen bewijs. Het geslacht is wel met het oog vast te stellen, en dat is het enige veldkenmerk in deze groep: een Spalax is twintig tot ruim dertig centimeter lang en weegt vier- tot zevenhonderd gram, een Nannospalax weegt ongeveer zoveel als een grote rat en haalt zelden een halve kilo; dit verschil is ook met DNA bevestigd (Németh en collega's, 2013). De aardhopen tonen hetzelfde: die van deze soort meten vijfendertig tot drieënnegentig centimeter in doorsnede en twintig tot vijfenveertig centimeter hoog en liggen in dichte groepen, terwijl een Nannospalax zijn hopen met twintig tot dertig meter tussenruimte in een dunne lijn legt. In dit gebied speelt die verwarring niet: de dichtstbijzijnde Nannospalax leeft pas ten westen van het Tylihul-liman bij Odesa, voorbij het areaal van S. zemni. Wel uit te sluiten zijn de mol, veel kleiner, met schopvormige voorpoten en een kort staartje, en de woelrat, met gewone oren, ogen en staart.
Leefgebied
IJl begroeide alsem- en wolfsmelksteppe op los zand. De soort vereist lichte, matig vochtige zandgrond met een lage grondwaterstand en wordt nooit aangetroffen in stuivend zand, in droge vedergrassteppe of op zoutgrond; deze drie grenzen bepalen de verspreiding nauwkeurig. Deze omstandigheden komen samen in de Oleshky-zandvlakte achter de linkeroever van de Dnjepr, met open zandsteppe, laag struweel en aangeplante dennenbossen. De bebossing van het zand, bedoeld om het vast te leggen en hout te leveren, maakt het leefgebied ongeschikt.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Uitsluitend Zuid-Oekraïne. Het hele areaal ligt in de oblast Cherson, op de zandgronden langs de benedenloop van de Dnjepr op de kustvlakte van de Zwarte Zee, en beslaat volgens Zagorodniuk en Korobchenko (2023) ongeveer drieduizend vierkante kilometer; de IUCN-beoordeling rekent met een verspreidingsgebied (EOO) van ongeveer tweeduizend. De typelocatie is Hola Prystan. Het werkelijk bezette oppervlak is veel kleiner: ongeveer vijfenvijftig vierkante kilometer, bekend van minder dan vijf vindplaatsen. Het kerngebied ligt in en rond het nationaal park Oleshky-zanden en het Zwarte Zee-biosfeerreservaat. Op de Britse Eilanden, in de Lage Landen en op het Iberisch Schiereiland komen geen blindmuizen voor.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Volledig ondergronds levend, het hele etmaal actief, met de meeste graafactiviteit aan het begin en het eind van de dag; over het dagritme van deze soort afzonderlijk is verder niets gepubliceerd. De soort houdt geen winterslaap en geen winterrust en leeft de winter door op haar voorraadkamers. Het voedsel bestaat uit ondergrondse plantendelen; met name genoemd worden kruisdistel, veldalsem en de Oekraïense morgenster. De dieren leven solitair en zijn agressief tegen soortgenoten. De dichtheid bedraagt vijf dieren per hectare in het beste leefgebied en ongeveer één dier per hectare daarbuiten. De voortplanting vindt één keer per jaar plaats: paring in maart, jongen in april en mei, en een zoogperiode van ongeveer een maand. Predatoren zijn vos, marterachtigen, zwerfhonden en roofvogels.
Waar en wanneer kijken
De beste periode is april of mei, wanneer het gras in de open zandsteppe van de Oleshky-zanden nog laag staat. Een bewoond stelsel is te herkennen aan een groep brede, lage, grofkluitige hopen dicht bij elkaar in de ijle begroeiing. Verse, vochtige, donkere aarde betekent dat het dier er nu leeft; vlakke, verbleekte, kale plekken zijn oude hopen. Zoek in de open, ijl begroeide delen, niet in het dennenbos of op stuivend zand, waar de soort niet voorkomt. Het dier zelf wordt zelden gezien. Het gebied is sinds 2022 oorlogsgebied; grote delen zijn niet veilig te betreden, en een bezoek wordt voorlopig afgeraden.
Staat van instandhouding
Bedreigd (EN, 2024), met een aanzienlijke kans op een zwaardere categorie bij de volgende beoordeling. De uitgangssituatie was al ongunstig: een verspreidingsgebied van ongeveer tweeduizend vierkante kilometer, een bezet oppervlak van ongeveer vijfenvijftig, minder dan vijf bekende vindplaatsen en een totale populatie die op vijftien- tot twintigduizend dieren werd geschat. De traditionele bedreiging is de bebossing van het zand, aangelegd tegen verstuiving en voor houtproductie, waardoor de ijle steppe verdwijnt waarvan de soort afhankelijk is. Sinds 2022 komt daar de oorlog bij: de vernietiging van de Kachovka-stuwdam zette een deel van het gebied onder water, en loopgraven, beschietingen en branden hebben het leefgebied verder aangetast. Naar schatting is de populatie in 2022 en 2023 met ongeveer de helft afgenomen. De soort staat in het Rode Boek van Oekraïne en is beschermd in het Zwarte Zee-biosfeerreservaat en het nationaal park Oleshky-zanden, maar die bescherming kan in de frontzone niet worden gehandhaafd.
Wetenschappelijke naam
Spalax arenarius | Reshetnik, 1939
Reshetnik beschreef de soort in 1939 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Spalax is het Griekse spalax, ook aspalax, 'mol'. arenarius is Latijn voor 'van het zand', bij arena 'zand'; het dier leeft in de stuifzanden van de benedenloop van de Dnjepr. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Oekraïne, Nikolaev.




