Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › West-Europese woelrat

West-Europese woelrat | Arvicola sapidus

Southern water vole | Rata De Agua

De West-Europese woelrat is het grootste knaagdier van de Iberische oevers en de enige van de drie Europese Arvicola-soorten die in het veld onder gunstige omstandigheden betrouwbaar op naam te brengen is. Hij is groter en donkerder dan de woelrat, strikt aan water gebonden en zwemt en duikt goed. Door die binding aan beken en kanalen is hij gevoelig voor elke verslechtering van Zuid-Europese waterlopen.

West-Europese woelrat (Arvicola sapidus)
Foto: David Pérez — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De meeste sporen van deze soort liggen op de oever. De pijpen in de kant zijn ovaal en breder dan hoog en liggen in reeksen langs het water, sommige onder de waterlijn, met ervoor een kortgevreten plek. Op modderige oeverstroken zijn de prenten goed te vinden: de voorvoet drukt vier tenen af in een stervorm, de achtervoet vijf, met lange, wijd gespreide tenen en fijne klauwpunten, in een spoor dat van het water het riet in loopt. Langs de wissels liggen eetplekken: hoopjes gras-, zegge- en lisdoddestengels in stukken van vijf tot tien centimeter, schuin afgebeten, en in het voorjaar aangevreten bladeren van lis en waterweegbree. De keutels — 8 tot 12 mm lang, 4 tot 5 mm dik, cilindrisch met stompe uiteinden, groenbruin en reukloos — liggen in latrines op een steen, een graspol of een vlak plekje aan de waterkant. Die latrines zijn in Spanje en Frankrijk de standaardmethode om vast te stellen of een beek nog bezet is, omdat de dieren zelf moeilijk te tellen zijn. Anders dan de woelrat maakt deze soort zelden aardhopen in weilanden; aardhopen in Zuidwest-Frankrijk zijn van de gravende vorm van de woelrat.

West-Europese woelrat, prenten in het slib van de porma-oever: links de voorvoet met vier tenen, rechts de achtervoet met vijf, alle tenen wijd gespreid
Prenten in het slib van de Porma-oever: links de voorvoet met vier tenen, rechts de achtervoet met vijf, alle tenen wijd gespreid · Foto: David Pérez — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

West-Europese woelrat, kop van dichtbij: lange ruige vacht, klein donker oog, korte ronde oren en de zware, botte snuit van een grote woelmuis
Kop van dichtbij: lange ruige vacht, klein donker oog, korte ronde oren en de zware, botte snuit van een grote woelmuis · Foto: David Pérez — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

De West-Europese woelrat is de grootste Arvicola van Europa: 16,5 tot 22 cm kop-romp en tot 275 gram, met mannetjes gemiddeld groter dan vrouwtjes. Het dier is zwaar en rolrond, met een stompe snuit, kleine in de vacht verzonken oren en kleine donkere oogjes. De vacht is lang, ruig en donker roodbruin tot bijna zwart, met een grijze buik; nat is het dier glanzend zwart. De staart is behaard, donker en haalt ruim de helft tot twee derde van de kop-romplengte — langer dan bij de woelrat. De achtervoet is groot (31 tot 39 mm) en de tenen dragen randen van stijve haren die het zwemoppervlak vergroten. Zwemmend ligt het dier hoog in het water, met de rug boven water en de staart erachter, en het duikt met een slag van de staart. Op de oever valt vooral het formaat op.

Gelijkende soorten

Het belangrijkste determinatieprobleem doet zich voor in Frankrijk, waar deze soort en de woelrat (Arvicola amphibius) over honderden kilometers aan elkaar grenzen, van Bretagne en de Loire tot de Rhônevallei. Daar geldt: A. sapidus is groter, donkerder, ruiger en langer van staart, en zit altijd aan het water; de woelrat is kleiner, bruiner en grijzer, en juist in Frankrijk vaak in de gravende gedaante die het water mijdt en aardhopen in weilanden maakt. Een groot, donker dier dat langs een beek zwemt is vrijwel zeker sapidus; een kleiner, bleker dier dat in een wei hopen opwerpt is vrijwel zeker amphibius. Maar een jonge sapidus en een volwassen amphibius overlappen in formaat, en dan geeft het veld geen uitsluitsel; dan beslissen de schedel of de vindplaats. Op het Iberisch Schiereiland is determinatie eenvoudiger, omdat de soort daar buiten de Pyreneeën en het Cantabrisch Gebergte de enige grote oeverwoelmuis is; de verwarringsmogelijkheid is er de bruine rat, met haar spitse snuit, grote naakte oren en kale, geschubde staart, en in het noorden de veel kleinere Cabrerawoelmuis en Provençaalse woelmuis. De Pyrenese desman deelt de beek maar heeft een beweeglijke, langgerekte snuit en een afgeplatte staart.

Leefgebied

De soort is strikt aan zoet water gebonden en stelt hoge eisen: stilstaand of traag stromend water met een dicht begroeide oever — riet, lisdodde, zegge, biezen, wilgenstruweel — en een zachte, graafbare kant. Sloten, irrigatiekanalen, beken, rivieroevers, poelen, vennen, moerassen en brakke lagunes, van zeeniveau tot 2300 meter in de Pyreneeën en de Sierra Nevada. De geschikte plekken zijn smal en verspreid: in onderzochte gebieden in Zuid-Spanje beslaat het bruikbare leefgebied minder dan twee procent van de oppervlakte. Waar vee de oever kaalvreet of de beek in de zomer droogvalt, verdwijnt de soort.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

De West-Europese woelrat komt alleen voor in Frankrijk, Spanje en Portugal. In Frankrijk leeft zij van Bretagne en de Loire zuidwaarts, met de noordgrens ruwweg op de lijn Normandië–Bourgondië, waar zij aan het gebied van de woelrat grenst. Op het Iberisch Schiereiland komt zij vrijwel overal voor waar water is, van Galicië en de Cantabrische kust tot de Guadalquivir; zij ontbreekt alleen in de droogste delen van het zuidoosten, in een groot deel van Almería en Murcia, en op de Balearen en de Canarische Eilanden. De woelrat bereikt op het Iberisch Schiereiland alleen de Pyreneeën en het Cantabrisch Gebergte, zodat een grote woelmuis langs het water in vrijwel heel Spanje en Portugal deze soort is. In Noordwest-Europa en op de Britse Eilanden ontbreekt de soort; daar komt alleen de woelrat voor, en de dichtstbijzijnde populaties liggen in Midden-Frankrijk.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De West-Europese woelrat is overdag en 's nachts actief, met in de zomer twee pieken, in de late ochtend en in de namiddag; daardoor is hij voor een woelmuis uitzonderlijk goed zichtbaar. Hij zwemt en duikt goed en graaft holen in de oever. Het menu bestaat vrijwel geheel uit planten, met een sterke voorkeur voor eenzaadlobbigen: grassen ruim de helft, lisdodde ongeveer een zesde en zegges ongeveer een zesde, verder kruiden, wortels en waterplanten; dierlijk voedsel eet hij zelden. De voortplantingstijd loopt van februari tot oktober en kan bij zacht weer de winter door doorlopen, met één tot acht embryo's per vrouwtje en meerdere worpen per jaar. Jonge dieren zwerven langs de waterloop uit en steken daarbij ook droog land over, wat hun grootste risico is. Hij houdt geen winterslaap.

Waar en wanneer kijken

Een beek of irrigatiekanaal met een dichte rietkraag in Spanje, Portugal of Zuid-Frankrijk is in de late ochtend het meest geschikt: de soort is overdag actief en daardoor beter waar te nemen dan andere Europese woelmuizen. Vanaf een brugje of een steile oever is de waterlijn onder de rietstengels te overzien; het dier zwemt een kort stuk, klimt op een pol en eet daar rechtop zittend met een stengel in de voorpoten. Is het dier niet te zien, dan is een latrine even bewijskrachtig: een hoopje groenbruine keutels op een steen aan de oever; op die manier wordt de soort in Spanje en Frankrijk gekarteerd. In de modder aan de waterkant zijn de prenten met vier tenen voor en vijf achter te vinden.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT, 2024), en van de drie Europese Arvicola-soorten degene waar het het slechtst mee gaat. De achteruitgang is over tien jaar op ongeveer dertig procent geschat en gaat door. De oorzaken zijn overal dezelfde: het rechttrekken, betonneren en jaarlijks kaal maaien van beken en irrigatiekanalen, het droogvallen van waterlopen door onttrekking en droogte, overbegrazing van de oever, en versnippering: het leefgebied is van nature lijnvormig, en een afgesneden stuk beek betekent het verlies van een populatie. Daar komt bij dat hij in Frankrijk en op het Iberisch schiereiland prooi is van de ingeburgerde Amerikaanse nerts, die net als bij de woelrat in Groot-Brittannië klein genoeg is om de pijpen in te gaan. Herstel van de soort hangt af van herstel van de oevers: waar een beek zijn rietkraag behoudt of terugkrijgt, kan de soort terugkeren.

Wetenschappelijke naam

Arvicola sapidus | G. S. Miller, 1908

G. S. Miller beschreef de soort in 1908 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Arvicola is Latijn, van arvum 'bouwland' en colere 'bewonen': de bewoner van de akker. sapidus is Latijn voor 'smakelijk, van goede smaak', bij sapere 'smaken'. Miller laat in het midden waarop hij doelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Spanje.