Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Noordse woelmuis

Noordse woelmuis | Alexandromys oeconomus

Tundra vole | Microtus oeconomus

De noordse woelmuis is een woelmuis van natte toendra, taiga en moerassen met een groot areaal van Midden-Europa en Fennoscandië tot Noord-Amerika. In West- en Midden-Europa leven daarnaast geïsoleerde relictpopulaties. Na de laatste ijstijd verschoof het areaal naar het noorden en oosten; in de natte laagvlakte achter de Nederlandse duinen bleef een populatie achter, die zich daar tot de ondersoort arenicola heeft ontwikkeld. Deze ondersoort komt alleen in Nederland voor, waardoor Nederland voor het voortbestaan ervan een internationale verantwoordelijkheid draagt.

Noordse woelmuis (Alexandromys oeconomus)
Foto: Sigi27 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het belangrijkste spoor is het wisselstelsel in hoge vegetatie. Anders dan de veldmuis, die in kort gras leeft, legt de noordse woelmuis haar paadjes aan onder riet, zegge en russen: geveegde looppaadjes van drie tot vier centimeter breed door de strooisellaag, vaak over drijvende zegge- of veenmoskussens en tot vlak boven het water. De holingangen zijn ronde gaten van ongeveer drie centimeter, meestal aan de voet van een pol; in het natste terrein wordt nauwelijks gegraven en worden in plaats daarvan bolvormige nesten van fijngeknipt gras en zeggeblad gebouwd, boven de grond in een pol of in de winter onder de sneeuw. Langs de wissels liggen afgebeten stengels van riet, zegge en gras in schuin afgebeten stukjes van enkele centimeters, en keutels van vier tot zeven millimeter, cilindrisch met stompe uiteinden, vers grasgroen en later bruin, in kleine latrines op een verhoging. Voor de winter worden voorraden van wortels en wortelstokken in ondergrondse kamers aangelegd, tot enkele kilo's per hol. Geen van deze sporen is van die van de aardmuis te onderscheiden. De soort wordt aangetoond met braakballen: kerkuil, ransuil en velduil eten haar, en in uitgeplozen braakballen zijn de vlakke, in zigzagprisma's gevouwen kiezen op soort te brengen. In de relictgebieden is braakbalonderzoek daarom de standaardmethode om vast te stellen of de soort nog aanwezig is, naast vangonderzoek, waarvoor een vergunning nodig is.

Herkenning

Een vrij grote, forse woelmuis met een brede kop, kleine, in de vacht verborgen oren en kleine donkere ogen. De rug is donkerbruin tot zwartbruin, met een vacht die meestal grover en ruiger is dan bij de veldmuis; de buik is donkergrijs; lichtere dieren komen voor. De staart is voor een woelmuis lang, ongeveer veertig procent van de kop-romplengte, en duidelijk tweekleurig. Een goed kenmerk zit aan de voeten: die zijn donker en de nagels zijn wit, wat bij een dier in de hand direct zichtbaar is. In Nederland is dit de grootste van de drie graswoelmuizen. Elders in Europa en in Azië is de soort variabeler en vaak bleker; op de toendra is zij het talrijkst.

Gelijkende soorten

Veldmuis, aardmuis en noordse woelmuis zijn in het veld niet met zekerheid te onderscheiden; een woelmuis die door het gras rent, is alleen als 'woelmuis' te noteren. Met een dier in de hand is meer mogelijk: de noordse woelmuis is groter, donkerder en langerstaartig dan de andere twee en heeft witte nagels; de aardmuis is ruig en donker, met aan de binnenzijde behaarde oren; de veldmuis is geelgrijs en korterstaartig. In de relictgebieden, zoals in Nederland, is de vindplaats het belangrijkste hulpmiddel: in werkelijk natte terreinen (trilveen, rietland, natte schrale graslanden, brakke kreekoevers) komt de noordse woelmuis voor en ontbreken de andere twee. Voor zekerheid is het gebit nodig, in de praktijk via braakbalonderzoek. De rosse woelmuis is kleiner, roodbruin en leeft in struweel; de bosmuis heeft grote oren, uitpuilende ogen en een staart zo lang als het lichaam; de woelrat is twee tot drie keer zo zwaar.

Leefgebied

Nat, hoog en dicht gras- en moerasland: rietland en zeggemoeras, trilveen en veenmosrietland, natte schrale hooilanden, verlandingszones langs plassen en petgaten, oevers van kreken en inlagen, en periodiek overstroomd terrein. In Nederland ook brakke oevers en moerassige binnenduinranden; in het noorden van het areaal loopt het leefgebied door in de natte toendra en de vochtige delen van de taiga. De soort handhaaft zich waar de bodem te nat is voor veldmuis en aardmuis; op drogere plaatsen wordt zij door die twee verdrongen. In de Aziatische gebergten komt zij voor tot 2500 à 2900 meter.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Een groot areaal van Midden-Europa en Fennoscandië oostwaarts door Siberië tot Alaska en Noordwest-Canada, met daarnaast een reeks geïsoleerde relictpopulaties in het westen: Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Hongarije, Slowakije en het gebied van de Neusiedler See (Seewinkel). In Nederland leeft de soort in vijf gescheiden gebieden: Texel, Friesland (de Friese meren en laagveenmoerassen), Noord-Holland, het Utrechts-Hollandse veenweidegebied en het Deltagebied van Zuid-Holland en Zeeland; al deze dieren behoren tot de ondersoort arenicola, een relict van de laatste ijstijd. In Vlaanderen is de soort verdwenen. De dichtstbijzijnde andere populaties liggen in Noordwest-Duitsland en rond de Neusiedler See. Op de Britse Eilanden, het Iberisch Schiereiland en in de rest van Zuidwest-Europa komt de soort niet voor.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Actief in korte, afwisselende perioden verdeeld over dag en nacht, met de nadruk op de schemering en de vroege ochtend; in de noordelijke zomer ook overdag. De soort zwemt goed en gebruikt water als vluchtweg; een woelmuis die in het riet het water in duikt, is vaak deze soort. Het voedsel is plantaardig: in de zomer groene delen van riet, russen, zeggen en grassen, in de winter wortels, wortelstokken, zaden en bast, aangevuld met een enkel insect; het voedsel is grover en taaier dan dat van de veldmuis. De voortplantingstijd loopt van april tot oktober, met drie tot vier worpen per jaar en gemiddeld drie tot zeven jongen na een draagtijd van ongeveer eenentwintig dagen; in het noorden kan de voortplanting in goede jaren tot in de winter doorlopen. Volwassen mannetjes zijn duidelijk groter dan vrouwtjes. Er is geen winterslaap; de winter wordt onder de sneeuw en in de strooisellaag doorgebracht. Kerkuil, ransuil, velduil, bruine kiekendief, hermelijn, wezel, bunzing en vos leven gedeeltelijk van deze soort.

Waar en wanneer kijken

Zoek in een rietland of trilveen, bijvoorbeeld in het Nederlandse veenweidegebied, in de Zeeuwse inlagen of in de Oostenrijkse Seewinkel, in de vroege ochtend of het laatste uur van de dag. Loop langs de rand van het riet in plaats van erin, en kijk naar de voet van de pollen: daar liggen de geveegde paadjes en de hoopjes schuin afgebeten stengels. Een woelmuis die op een drijvende zeggepol zit en vervolgens het water in gaat, is in dit landschap vrijwel zeker deze soort, maar op grond van een foto is dat niet met zekerheid vast te stellen. Een betrouwbaar beeld van de aanwezige soorten geeft het verzamelen van braakballen onder een roestplaats van ransuil of kerkuil in het najaar. Vangonderzoek met inloopvallen is alleen met vergunning toegestaan.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2016); over het hele areaal is dit een van de talrijkste zoogdieren van het noorden. Die beoordeling zegt echter niets over de westelijke relictpopulaties, die wel achteruitgaan. In Nederland staat de noordse woelmuis als kwetsbaar op de Rode Lijst en is de ondersoort arenicola in de Habitatrichtlijn (bijlagen II en IV) als prioritaire soort opgenomen; buiten Nederland geldt dat alleen voor de Pannonische ondersoort mehelyi, niet voor de soort als geheel. De achteruitgang is veroorzaakt door verdroging, versnippering, intensiever maaien en beweiden van moerasranden en het verdwijnen van geleidelijke overgangen tussen land en water. Daarnaast speelt een specifieke bedreiging: waar het terrein droger wordt, of waar een dijk of dam een verbinding met hoger land vormt, dringen veldmuis en aardmuis het gebied binnen en verdringen zij de noordse woelmuis. Beheer is daarom vooral gericht op het nat houden van het leefgebied. Omdat de Nederlandse dieren tot een ondersoort behoren die nergens anders voorkomt, is het voortbestaan van deze vorm vrijwel geheel afhankelijk van het beheer in Nederland.

Wetenschappelijke naam

Alexandromys oeconomus | (Pallas, 1776) (GBIF: Microtus oeconomus)

Pallas beschreef de soort in 1776 als Mus oeconomus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Alexandromys eindigt op het Griekse mys 'muis'; het eerste deel is de persoonsnaam Alexander, maar Ognev heeft niet gezegd wie hij ermee eerde. oeconomus is het Griekse oikonomos 'huishouder, rentmeester', naar de voorraden wortels en zaden die het dier voor de winter aanlegt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland, Tyumen'.