Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Sneeuwmuis
Sneeuwmuis | Chionomys nivalis
European Snow Vole | Topillo Nival
De sneeuwmuis is een woelmuis van rotsen, blokkenvelden en puinhellingen, vooral boven de boomgrens, tot ongeveer drieduizend meter. Ze is lichtgrijs, heeft een voor een woelmuis lange staart en leeft in rotsspleten; daardoor is ze in het hooggebergte met zekerheid te herkennen.
Sporen
De sporen zijn vooral bij stenen te vinden, niet op de open bodem. Zoek onder een overhangend blok, in een spleet of onder een platte steen aan de voet van een puinhelling naar keutels van vier tot zes millimeter, cilindrisch met stompe uiteinden, groenbruin als ze vers zijn en later grijs, in kleine vaste hoopjes vlak bij de spleetingang; de dieren gebruiken vaste plekken, die jarenlang te vinden zijn. Rond dezelfde ingang liggen afgeknipte plantendelen: stengels van alpengrassen, zeggen en kruiden in stukjes van enkele centimeters, schuin afgebeten, en in de nazomer hoopjes half gedroogde blaadjes die als hooivoorraad de spleet in worden gesleept. Op vochtige aarde tussen de stenen kan een prent staan: vier tenen voor, vijf achter, kleiner dan een vingertop. In gebieden met veel dieren is een kort, hoog piepje uit de steenhoop vaak het enige wat een wandelaar opmerkt. Verder zijn er braakballen van alpenkauw, torenvalk en vooral ruigpootuil en oehoe, met de vlakke, in zigzagprisma's gevouwen woelmuiskiezen; die van de sneeuwmuis zijn te herkennen aan formaat en aantal driehoeken. Wisselstelsels in de zode of graafgangen maakt de soort niet: ze graaft niet, maar leeft in spleten.
In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Herkenning
Een middelgrote woelmuis, kop-romp 10,7 tot 14,3 cm, met een zilvergrijze tot lichtgrijze vacht die op de flanken bleker en op de buik vuilwit is, zonder de roodachtige of geelbruine tint van andere woelmuizen. Drie kenmerken van de kop vallen op: grote, donkere ogen, duidelijk uitstekende, ronde oren en zeer lange, witte snorharen die tot voorbij de schouder reiken en bij het tasten in donkere spleten worden gebruikt. De staart is lang voor een woelmuis, ruwweg de helft van de kop-romplengte, en tweekleurig, donker van boven en wit eronder, met een witte pluim aan het eind. De poten zijn licht tot wit. Het dier is soepel, klimt goed en kan zich door zeer nauwe spleten wringen.
Gelijkende soorten
Boven de boomgrens is verwarring in de Alpen, de Pyreneeën en de meeste andere gebergten nauwelijks mogelijk: geen andere woelmuis is daar zo grijs, zo langstaartig en zo groot van oog en oor, en geen andere leeft er in rotsspleten. Waar de arealen op lagere hoogte samenkomen, zijn de veldmuis en de ondergrondse woelmuis mogelijke verwarringssoorten; beide zijn bruiner, korter van staart en kleiner van oor. De alpenbosmuis (Apodemus alpicola) is een echte muis, met grote oren, uitpuilende ogen en een staart zo lang als het lichaam. In het Dinarisch Gebergte leeft de Balkansneeuwmuis (Dinaromys bogdanovi) in dezelfde kalkrotsen; die is duidelijk groter, zwaarder en nog grijzer, zodat daar het formaat bepalend is. In de Kaukasus komen twee verwanten voor, Chionomys gud en Chionomys roberti; beide zijn donkerder en bruiner, en roberti leeft in vochtig bos in plaats van op rotsen. In Zuid-Turkije en de Levant is de soortgrens onzeker: de naam syriacus hoort bij hetzelfde dier en is ouder dan nivalis, maar de naam nivalis wordt aangehouden zolang de nomenclatuurcommissie geen uitspraak heeft gedaan.
Leefgebied
Vrijwel uitsluitend rotsig terrein: spleten en holten in kalk- en dolomietwanden, blokkenvelden en puinhellingen, met daaromheen alpiene graslanden, dwergstruiken en open, schrale vegetatie waar de dieren foerageren. Vereist is een spletenstelsel met een stabiele temperatuur en vochtige lucht, dat in de zomer koelte en in de winter beschutting biedt. In de Alpen en de Pyreneeën leeft de soort meestal tussen 1000 en 3000 meter, met waarnemingen tot ruim daarboven; in de Franse en Spaanse karstgebieden en op enkele koele, noordgerichte rotswanden komt ze veel lager voor, in Noord-Spanje tot vlak bij zeeniveau. Bergweiden zonder stenen worden gemeden, ongeacht de rijkdom van het gras.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De hooggebergten van Europa en West-Azië, in geïsoleerde deelgebieden die de ligging van de gebergten volgen. Op het Iberisch Schiereiland het Cantabrisch Gebergte met de Picos de Europa, de Pyreneeën, het Iberisch Randgebergte en de noordelijke sierra's, met karstgebieden en koele rotswanden in het middengebergte; in de Serra de Montesinho in Noord-Portugal ligt de westgrens van het areaal. Verder het Centraal Massief en de Franse karst, de Alpen, de Jura, de Apennijnen, de Tatra en de Karpaten, het Dinarisch Gebergte, de Pindos en de Griekse bergen tot op Euboea, en oostwaarts de Turkse gebergten, de Kaukasus, Libanon, Syrië, Iran en Turkmenistan. Van de dertien beschreven ondersoorten is vrijwel elke aan een eigen bergmassief gebonden; de dieren van de Sierra Nevada, de Apennijnen en de Tatra zijn al duizenden jaren van elkaar gescheiden. Op de Britse Eilanden komt geen enkele sneeuwmuis voor.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Het activiteitspatroon is polyfasisch, met de hoofdpiek 's nachts; door het jaar heen is de soort ook in de schemering actief, in de zomer vrijwel alleen 's nachts en in de winter ook overdag. Ze is plantenetend: bladeren, stengels, bloemen, zaden en wortels van alpiene kruiden en grassen, aangevuld met mossen en korstmossen, en eet per dag ongeveer 52 gram vers plantenmateriaal, vergelijkbaar met of meer dan het eigen lichaamsgewicht. Ze houdt geen winterslaap maar leeft de winter door onder de sneeuw in het spletenstelsel, op de voorraad die in de nazomer is aangelegd. Vrouwtjes hebben normaal twee worpen per seizoen, na twintig tot tweeëntwintig dagen dracht, met twee tot zes embryo's en één tot vier jongen die opgroeien. De leefgebieden zijn klein: mannetjes gebruiken gemiddeld ongeveer 330 vierkante meter, vrouwtjes ongeveer 210; de gebieden van vrouwtjes overlappen niet, terwijl dat van een mannetje er meerdere omvat. Predatoren zijn hermelijn, vos, torenvalk, alpenkauw, oehoe en ruigpootuil.
Waar en wanneer kijken
Een goede plek is een berghut bij zonsopgang. Sneeuwmuizen leven vaak in de blokkenvelden en droge stenen muren rond hutten, zijn er aan mensen gewend, en komen bij het eerste licht, wanneer de nachtelijke activiteit nog niet voorbij is en de zon de stenen begint te verwarmen, op de warme steen zitten. Ga stil op de bank voor de hut zitten en let op de spleten in de keermuur en de rand van de puinhelling; binnen een half uur rent meestal een grijs dier met een lange staart van steen naar steen. Verder is elke overhangende rots aan de rand van een blokkenveld boven de boomgrens het onderzoeken waard: zoek naar keutelhoopjes en afgeknipte stengels bij de spleetingang. Het hoge piepje uit een steenhoop is vaak het enige teken van aanwezigheid.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). De soort is in geschikt terrein plaatselijk algemeen en de populatie lijkt stabiel; ze leeft bovendien in gebieden met weinig landbouw en bebouwing. Wel is ze een koudeminnende bergsoort in geïsoleerde deelpopulaties: elk bergmassief herbergt een eigen, al duizenden jaren geïsoleerde populatie, die niet naar een andere berg kan uitwijken. Bij klimaatopwarming verschuift het geschikte spletenklimaat naar boven, wordt het beschikbare oppervlak per massief kleiner, en verdwijnen naar verwachting de laagst gelegen vindplaatsen en de laagste bergen het eerst. De vooruitzichten voor de kleine, geïsoleerde populaties in de Spaanse karst, de Apennijnen en de Griekse bergen zijn daardoor ongunstiger dan de wereldwijde categorie aangeeft. Plaatselijk spelen ook het verdwijnen van beweiding en de daaropvolgende verstruiking van alpiene graslanden een rol.
Wetenschappelijke naam
Chionomys nivalis | (Martins, 1842)
Martins beschreef de soort in 1842 als Arvicola nivalis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Chionomys is Grieks, van chiōn 'sneeuw' en mys 'muis': de woelmuis van de sneeuwgrens. nivalis is Latijn voor 'van de sneeuw, besneeuwd', bij nix (nivis) 'sneeuw', naar het leven hoog in het gebergte. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zwitserland, Berner Oberland.




