Alle soorten › Lipbloemigen › Byblidaceae › Byblis liniflora
Byblis liniflora
Deze plant is geen standplaats maar een seizoen. Byblis liniflora is een eenjarige van de Australische moesson: hij kiemt als de eerste regens de zandvlakten verzadigen, staat binnen enkele weken in bloei en is weer verdwenen voordat het land helemaal is opgedroogd. Wie hem zoekt, moet dus eerst het weer volgen en daarna pas de kaart. Gevonden is hij makkelijk: in vol licht verraadt hij zich van een paar meter afstand aan de glans, want elk blad draagt duizenden steelklieren met een druppel erop die het zonlicht breken.


Herkenning
Een rechtopstaand, van onderaf vertakt kruidje van 5 tot 15 cm hoog, zonder rozet: de bladeren staan verspreid langs de stengel en wijzen naar alle kanten. Ze zijn draaddun en rond in doorsnede, naar de top geleidelijk versmallend, en dragen over hun hele lengte twee soorten klieren door elkaar — lange gesteelde klieren die elk een heldere, kleverige druppel dragen, en daartussen veel kleinere zittende klieren die pas na een vangst in werking treden. De bloemen staan alleen, op lange stelen die uit de bladoksels komen, en zijn roze tot lilapaars met vijf kroonbladen die aan de top fijn gekarteld zijn. De vijf meeldraden staan naar één kant van de bloem gebogen. Bij deze soort zijn de helmknoppen kórter dan de helmdraden; met een loep is dat in het veld het betrouwbaarste kenmerk. In West-Australië bloeit hij van maart tot augustus, dus van het einde van de natte tijd tot ver in het droge seizoen.
Gelijkende soorten
Binnen het geslacht is verwarring de regel, niet de uitzondering. Byblis filifolia en Byblis rorida groeien in dezelfde streken en zien er op afstand hetzelfde uit; beide worden groter en steviger, en bij beide zijn de helmknoppen even lang als of langer dan de helmdraden. Byblis rorida is bovendien over de stengel dicht bezet met korte, niet-klierachtige haren, wat B. liniflora mist. Byblis aquatica staat in permanent natte laagten en heeft slappe, deels drijvende stengels. Met een Drosera is verwarring onwaarschijnlijk zodra je de plant van dichtbij ziet: bij Drosera zitten de klierharen op een afgeplat blad en bewegen ze, hier zitten ze rondom een naaldvormig blad en bewegen ze niet.
De val en hoe hij werkt
Een passieve lijmval, in de eenvoudigste vorm die er is. Het blad beweegt niet, de klieren bewegen niet, en er wordt geen enkele prikkel verwerkt: een muggetje of kleine vlieg die tegen de druppels aan komt, blijft eraan vastzitten en raakt bij het spartelen alleen maar meer druppels aan. Het verteren gebeurt door de veel kleinere zittende klieren die tussen de steeltjes op de bladhuid staan; die scheiden enzymen af zodra er een prooi op ligt, en nemen de vrijgekomen stikstof en fosfor daarna ook weer op. Dat de twee functies over twee kliertypen zijn verdeeld, is precies het verschil met Drosera, waar één klierhaar beide doet en daarbij ook nog buigt. De vangst bestaat vooral uit kleine vliegende insecten; op de planten leven wantsen van het geslacht Setocoris die ongestraft over de kleverige bladeren lopen en de prooi wegkapen.
Standplaats en ecologie
Seizoensnatte zandgrond in open, boomarme savanne en langs de randen van tijdelijke moerassen. De ondergrond is zand, lemig zand of een dunne bodem over zandsteenplaten waar in de natte tijd water overheen sijpelt; de plant verdraagt geen schaduw en geen concurrentie van hoog gras. Dat is de reden dat hij zo vaak op verstoorde plekken staat: langs wegbermen, op paden, op plaatsen waar het vuur pas doorheen is geweest. De standplaats is dus geen van de vaste codes helemaal: het is een zandvlakte (D1) die een deel van het jaar doorstroomd wordt als een kwelmoeras (W3), en die de rest van het jaar kurkdroog staat.
Verspreiding en hoogte
Het noorden van Australië — de Kimberley in West-Australië, het Top End van het Noordelijk Territorium en delen van noordelijk Queensland — en daarbuiten het zuiden van Nieuw-Guinea, in zowel Papoea-Nieuw-Guinea als het Indonesische deel. Daarmee is hij niet endemisch, en is hij de enige soort van het geslacht die de Australische landmassa verlaat; de Arafurazee was tijdens de ijstijden droog land, en de verspreiding over Nieuw-Guinea is daar het restant van. Hij blijft in het laagland; er is geen betrouwbaar gedocumenteerde hoogtegrens voor de soort, zodat het hoogteveld hier leeg blijft.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er is weinig variatie te melden, en daar is een taxonomische reden voor. Tot 1998 was Byblis liniflora een ruim begrip waaronder een groot deel van de noordelijke planten werd geschaard. De revisie van Lowrie en Conran haalde daar B. aquatica en B. rorida uit als aparte soorten, en later werd ook B. guehoi afgesplitst. Wat overbleef, is een smal omschreven soort waarin nauwelijks nog vormverschil zit: de bloemkleur schommelt wat tussen bleekroze en lilapaars, en de plantgrootte hangt vooral af van hoe nat de kiemplek was. Er zijn geen in het wild erkende variëteiten of kleurvormen, en er zijn geen natuurlijke hybriden bekend — binnen het geslacht zijn kruisingen zeldzaam en de noordelijke soorten bloeien deels op verschillende momenten.
Waar en wanneer te zien
De eerste helft van het droge seizoen, dus ruwweg april tot juni, is het beste moment: de planten zijn dan volgroeid en in bloei, en het terrein is begaanbaar. Zoek in de vroege ochtend en met de zon laag in de rug, want dan lichten de klierdruppels op en zie je een plant die je recht van boven gemakkelijk over het hoofd ziet. Goede plekken zijn open, verse zandbodems: de rand van een uitdrogend moeras, een greppel langs een onverharde weg, een stuk savanne waar kort daarvoor vuur is geweest. Kijk ook naar het jaar zelf — na een zwakke moesson kan een vindplaats die vorig jaar vol stond, helemaal leeg blijven.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern). De reden is eenvoudig: het verspreidingsgebied is enorm, de plant staat in tientallen beschermde gebieden, hij groeit graag op verstoorde grond en de zaadbank in de bodem vangt slechte jaren op. Wat lokaal wel telt, is verandering van het brandregime en verdichting van de savanne: waar hoog gras of struikgewas het licht wegneemt, verdwijnt hij van die plek.
Wetenschappelijke naam
Byblis liniflora | Salisbury, 1808
Richard Anthony Salisbury beschreef de soort in 1808 en richtte er het geslacht Byblis voor op. De typelocatie ligt in Noord-Australië. De geslachtsnaam Byblis verwijst naar de gelijknamige figuur uit de Griekse mythologie, die na de afwijzing door haar broer Caunus in een eindeloze stroom tranen oploste — een toespeling op de glinsterende kleefdruppels op de bladeren. De soortnaam liniflora is Latijn voor 'met bloemen als vlas', naar de gelijkenis van de blauwe bloemen met die van de vlasplant.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.