Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera adelae
Drosera adelae
Deze soort, in het Engels 'lance-leaved sundew', is een van de drie zogenoemde 'zusters van Queensland': zonnedauwsoorten die niet in open veen of heide staan, maar in de diepe schaduw van tropisch regenwoud. Drosera adelae is de bekendste van het drietal en de enige die ook buiten de liefhebberij een zekere faam heeft. Hij is endemisch voor het noordoosten van Queensland, waar hij langs beken en op natte rotsen bij watervallen groeit.



Herkenning
Een rozet van smalle, lancet- tot zwaardvormige bladeren van 10 tot 25 cm lang en slechts 7 tot 10 mm breed, die geleidelijk in een korte bladsteel versmallen. De bladeren zijn lichtgroen tot bronskleurig, met een duidelijke middennerf, en dragen over bijna de hele lengte korte tentakels. Doordat de plant zich via de wortels vermeerdert, staan rozetten zelden alleen: meestal vormen ze dichte pollen. De bloeiwijzen worden tot 35 cm lang, zijn eenzijdig en dragen kleine, stervormige bloemen die rood, roodoranje of soms roomkleurig zijn — een ongebruikelijke kleur binnen het geslacht.
Gelijkende soorten
De naaste verwanten zijn de twee andere soorten van sectie Prolifera. Drosera schizandra heeft brede, eironde tot omgekeerd eironde bladeren met vaak een ingesneden top, en groeit op nog donkerder, vochtiger plekken. Drosera prolifera heeft ronde bladschijven aan lange stelen en bloeistengels die aan de top jonge plantjes vormen. De recent beschreven Drosera buubugujin uit Kaap York heeft langere, slankere bladeren en groeit noordelijker. Buiten deze groep is er in het regenwoud van Queensland geen zonnedauw met zulke lange, smalle bladeren.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval, maar een trage. De tentakels zijn kort en bewegen merkbaar langzamer dan bij de meeste andere zonnedauwsoorten; het blad zelf krult nauwelijks om. De vangst berust dus vooral op het slijm: kleine muggen en andere insecten die in de vochtige, windstille ondergroei rondvliegen blijven op het brede bladoppervlak plakken en worden daar door de klieren verteerd.
Standplaats en ecologie
Dichtbeschaduwde randen van tropisch regenwoud, op zandige grond langs beekoevers en op natte rotsen en keien in de spatzone van watervallen (B3, R1). De standplaatsen hebben het hele jaar een hoge luchtvochtigheid en weinig direct zonlicht. In tegenstelling tot de meeste zonnedauwsoorten is dit dus geen plant van open, zonnig terrein; in volle zon verbranden de bladeren.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in Noordoost-Queensland, in de Wet Tropics rond Rockingham Bay en op Hinchinbrook Island. Het verspreidingsgebied is klein en grotendeels beperkt tot regenwoud in beschermde natuurgebieden. Hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten onderscheiden. Het diploïde chromosoomaantal is 2n = 30; bij enkele gekweekte planten is ook 2n = 28 geteld. Binnen de sectie vormt D. adelae met D. prolifera, D. schizandra en D. buubugujin een kleine, geïsoleerde groep van regenwoudsoorten, die allemaal vegetatief vermeerderen en onderling in bladvorm sterk verschillen. Kleurverschillen in blad en bloem hangen vooral samen met de lichtsterkte ter plaatse.
Waar en wanneer te zien
De plant is het best te zien langs wandelpaden die beekdalen in het regenwoud volgen, op de oevers en op natte rotsen bij kleine watervallen. Kijk in de schaduw, niet in de zon: de pollen lijken op het eerste gezicht op gewoon groen onkruid, en pas van dichtbij zie je de glinsterende tentakels. De bloei valt in de drogere helft van het jaar, van juni tot november. Blijf op de paden; natte rotsen zijn glad en de pollen zijn makkelijk los te trekken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd is de soort als Niet bedreigd (LC) beoordeeld op de IUCN-Rode Lijst; hij staat niet in CITES. Onder de Queenslandse natuurbeschermingswet (Nature Conservation Act) is hij als zeldzaam aangemerkt. Het beperkte areaal maakt hem kwetsbaar voor lokale verstoringen zoals verandering van de waterhuishouding, maar het grootste deel van de groeiplaatsen ligt in beschermd regenwoud binnen het werelderfgoedgebied van de Wet Tropics. Verzamelen uit het wild is niet nodig: de soort is in cultuur algemeen en vermeerdert zich gemakkelijk.
Wetenschappelijke naam
Drosera adelae | Mueller, 1864
Beschreven door Ferdinand von Mueller, in "Fragmenta Phytographiae Australiae", deel 4, nr. 30, p. 154 (november 1864). Omgeving van Rockingham Bay en Hinchinbrook Island, Queensland, Australië — regenwoud, beschaduwde beekoevers en natte rotsen nabij watervallen. Geen precieze coördinaten of hoogte bekend. Van het Latijnse genitief "adelae" ("van Adela/Adele") — vrijwel zeker vernoemd naar een vrouw genaamd Adela of Adele, passend bij Muellers bekende gewoonte om planten naar vriendinnen en collega's te vernoemen (zoals bij Macadamia, naar John Macadam). Haar identiteit kon echter niet met zekerheid worden vastgesteld.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.