Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera cistiflora
Drosera cistiflora
De zonnedauw met de grootste bloemen van Afrika, en een van de grootste van het hele geslacht. Drosera cistiflora dankt zijn naam aan de gelijkenis met de bloemen van de zonneroosjes (Cistus): kommen van drie tot vijf centimeter breed, in een verbluffende reeks kleuren. In het voorjaar van de Kaap, na de winterregen, staan ze in renosterveld en fynbos als kleine vlammen tussen het gras.




Herkenning
De plant begint het groeiseizoen als een platte of half opgerichte basale rozet van smal ovale bladeren, en schiet daarna een rechtopstaande, onvertakte stengel van 10 tot 40 cm op. Langs die stengel staan smal lancetvormige, naar boven gerichte bladeren van 20 tot 40 mm lang en ongeveer 4 mm breed, alle met kleverige tentakels. Aan de top verschijnen één of enkele grote bloemen. Kleur is hier geen determinatiekenmerk: wit, geel, crème, zalmkleurig, roze, mauve, paars en donkerrood komen allemaal voor, vaak met een donker hart. De stijlen zijn gefranjerd. Onder de grond zitten één of twee lange, gezwollen wortels met een dichte vilt van wortelharen, waarmee de plant de droge zomer overleeft.
Gelijkende soorten
Binnen het zogeheten D. cistiflora-complex lijken meerdere soorten sterk op elkaar. Drosera pauciflora heeft vergelijkbare grote bloemen, maar vormt geen rechtopstaande beklede stengel: de bloem staat op een kale steel direct uit de rozet. Drosera variegata heeft een kortere stengel met maar twee of drie bladeren. Van de andere Kaapse rozetzonnedauwen, zoals D. trinervia en D. aliciae, onderscheidt de soort zich direct door de beklede stengel en de veel grotere bloemen.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval, zowel op de rozetbladeren als op de stengelbladeren. De tentakels scheiden kleverig slijm af waarin kleine insecten vastraken; daarna buigen omringende tentakels naar de prooi en scheiden de klieren verteringsenzymen af. Doordat de bladeren langs een opgaande stengel staan, vangt de plant ook insecten die tussen de lage vegetatie door vliegen, niet alleen wat op de grond landt. De grote bloemen staan ver boven de vangbladeren, wat de kans verkleint dat bestuivers in de val lopen.
Standplaats en ecologie
Goed doorlatende, in de winter vochtige zandbodems in renosterveld en fynbos, vaak in open plekken, op alluviale afzettingen langs beken, op natte zandvlakten en in sijpelplekken op heuvels (W7, B5, D1). De soort groeit in de winter en trekt zich in de droge zomer terug in de ondergrondse wortels. Na brand, als de vegetatie nog laag is, bloeit hij vaak bijzonder rijk. De hoogte-amplitude is groot: van 20 tot 1250 m.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor Zuid-Afrika, in het winterregengebied van de Kaapprovincies: van Namakwaland in de Noordkaap zuid- en oostwaarts tot bij Port Elizabeth (Gqeberha) in de Oostkaap. Binnen dat gebied is hij plaatselijk algemeen.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
De soort is zeer variabel, en dat heeft geleid tot een lange lijst synoniemen, waaronder D. helianthemum, D. speciosa, D. zeyheri en D. pauciflora var. minor. Kleurvormen zijn vaak plaatselijk gebonden: rond Darling en in Namakwaland komen rode vormen voor, elders roze, witte of gele. Het complex is de laatste decennia opnieuw bestudeerd, en sommige vormen zijn als aparte soort beschreven; wie een afwijkende populatie tegenkomt, doet er goed aan de recente literatuur te raadplegen. Cultivarnamen worden in deze gids niet gebruikt.
Waar en wanneer te zien
Ga in augustus of september, op een zonnige dag rond het middaguur: de bloemen gaan maar een paar uur open en alleen bij goed licht. Het jaar na een veldbrand is vaak het beste, dan staat de vegetatie laag en bloeien de planten massaal. Renosterveld is grotendeels omgezet in akkerland; de beste kans heb je in natuurreservaten en langs onverharde wegen waar nog resten van de oorspronkelijke vegetatie staan.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet opgenomen in CITES. Op de nationale Rode Lijst van Zuid-Afrika (SANBI) staat de soort als niet bedreigd (Least Concern). Toch is een groot deel van het renosterveld, zijn belangrijkste habitat, in de afgelopen eeuw omgeploegd voor graan en wijnbouw, en zijn veel populaties teruggedrongen tot randen en restpercelen. Ook het opgraven van planten voor de handel en het uitblijven van brand in kleine reservaten kunnen plaatselijk schade doen.
Wetenschappelijke naam
Drosera cistiflora | Linnaeus, 1760
Beschreven door Carl Linnaeus in 1760, in "Plantae Rariores Africanae" (ook geciteerd als Amoenitates Academicae, deel 6, p. 85). Zuidelijk Afrika, de Kaapregio in algemene zin; lectotype Herb. Linn. nr. 398.6 (LINN). Thunberg voegde in 1797 een gedetailleerdere plaatsbeschrijving toe: "op zandige heuvels en velden bij de stad [Kaapstad], in Swartland" — dit is echter Thunbergs eigen aanvulling, niet noodzakelijk Linnaeus' oorspronkelijke typelocatie. Van het Latijnse Cistus (rotsroosje) en flora ("bloem") — "met bloemen als een rotsroosje", vandaar de Engelse volksnaam "poppy-flowered/rockrose-flowered sundew".
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.