Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera aliciae

Drosera aliciae

Een van de bekendste zonnedauwsoorten van de Kaap, en tegelijk een van de moeilijkst af te bakenen. Drosera aliciae vormt platte, strak gesloten rozetten die in de zon dieprood kleuren, en staat verspreid in de natte plekken van de fynbos van het Kaapse Schiereiland tot in de Oostkaap. Wie in de Kaapse bergen een sijpelplek vindt met een rood tapijt van kleine rozetjes, heeft goede kans dat dit de soort is — of een van zijn naaste verwanten.

Drosera aliciae
Foto: incidencematrix — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera aliciae — de bloem
De bloem · Foto: Petr Dlouhý in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera aliciae — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Ben pcc — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine, vlak tegen de grond gedrukte rozet tot ongeveer 5 cm breed. De bladeren zijn spatel- tot wigvormig, versmallen geleidelijk naar de voet en dragen op de bovenzijde en langs de rand lange, roodgekleurde tentakels; de onderzijde en de randen zijn opvallend dicht behaard, en aan de bladvoet zitten duidelijke steunblaadjes. Dat laatste is een belangrijk kenmerk. De bloeistengel is draadvormig, beklierd, onderaan eerst gebogen en daarna rechtop, en kan zo'n 30 cm boven de rozet uitkomen. Aan de top gaan achtereenvolgens meerdere dieproze bloemen open, telkens maar een paar uur, alleen bij zon.

Gelijkende soorten

De Kaap telt een hele reeks rozetvormige zonnedauwen die op elkaar lijken. Drosera trinervia is kleiner, heeft vaak witte bloemen en mist de opvallende steunblaadjes; de drie nerven in het blad zijn soms zichtbaar. Drosera cuneifolia heeft bredere, aan de top afgeknotte bladeren en is beperkt tot het Tafelberg-massief. Drosera slackii is groter en heeft een bladsteel die in het midden verbreed is. Drosera natalensis uit het oosten van Zuid-Afrika wijkt af door sterker behaarde steunblaadjes en een grotere afstand tussen bladvoet en de eerste tentakels. In het veld is de combinatie van steunblaadjes, behaarde onderzijde en dieproze bloemen de beste leidraad.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. Elke tentakel eindigt in een klier met een druppel kleverig slijm. Een insect dat erop landt, raakt vast; de tentakels in de omgeving buigen zich daarna langzaam naar de prooi toe, zodat die met zoveel mogelijk klieren in contact komt. Vervolgens scheiden de klieren verteringsenzymen af en nemen ze de vrijgekomen voedingsstoffen op. In fel licht kleuren de tentakels diep rood door anthocyaan, wat de rozetten opvallend maakt en mogelijk ook insecten aantrekt. De vangst bestaat vooral uit kleine vliegen en muggen die rond sijpelplekken vliegen.

Standplaats en ecologie

Permanent vochtige, voedselarme plekken in de fynbos: sijpelplekken tegen berghellingen, natte randen van beekjes en venige zandsteenbodems (R1, W4, B5). De soort staat bij voorkeur open en zonnig, tussen lage restio's en zeggen, en verdwijnt waar de vegetatie te hoog en te dicht wordt. Juist in de bergen op de grens tussen het winterregengebied en het gebied met regen het hele jaar, waar nevel vaak voorkomt, kan hij talrijk zijn.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Zuid-Afrika: de Kaapprovincies, van het Kaapse Schiereiland oostwaarts tot in de Oostkaap. De soort is een typisch element van de Kaapse flora, maar gaat verder naar het oosten dan veel van zijn verwanten. Betrouwbare, gepubliceerde hoogtegrenzen voor de soort als geheel zijn niet gevonden; het hoogteveld blijft daarom leeg.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 43 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

De afbakening is niet eenvoudig. Drosera aliciae werd in 1905 door Raymond-Hamet beschreven, en in de loop van de twintigste eeuw zijn verscheidene nauw verwante Kaapse zonnedauwen apart beschreven of juist weer ingevoegd. Drosera curviscapa wordt door sommige auteurs als variëteit of synoniem van D. aliciae gezien, door anderen als aparte soort; hij is groter en heeft steviger bladeren. Ook D. esterhuyseniae en D. slackii zijn in sommige lijsten bij D. aliciae ondergebracht, terwijl Kew ze tegenwoordig als aparte soorten aanvaardt. In deze gids volgen we die engere opvatting.

Waar en wanneer te zien

De bloei valt in de vroege zomer van het zuidelijk halfrond, rond november tot januari. De bloemen gaan alleen bij zon open en sluiten halverwege de middag, dus plan een bezoek op een heldere ochtend. Zoek langs paden die door natte fynbos lopen, op plekken waar water uit de helling sijpelt; de rode rozetten tekenen zich af tegen het zand. Stap er niet in: sijpelplekken zijn klein, en de rozetten staan vaak dicht op elkaar.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Het areaal is voor een Kaapse zonnedauw vrij groot en de soort komt in veel beschermde berggebieden voor, zodat er geen directe aanwijzingen zijn voor ernstige bedreiging. Plaatselijk spelen de gebruikelijke problemen van de Kaapse fynbos: verdroging van sijpelplekken, verstruiking door uitheemse bomen zoals dennen en acacia's, en een brandregime dat te vaak of te zelden terugkomt. De taxonomische onzekerheid rond het soortcomplex maakt het bovendien lastig om verspreidingsgegevens uit oudere bronnen goed te interpreteren.

Wetenschappelijke naam

Drosera aliciae | Hamet, 1905

Beschreven door Raymond Hamet, in Journal de Botanique (red. L. Morot), Parijs, deel 19, p. 114 (1905). In hetzelfde soortencomplex werd later Drosera curviscapa Salter (1939) beschreven, inmiddels als synoniem beschouwd. De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald. Van het Latijnse genitief "aliciae" ("van Alicia/Alice") — vrijwel zeker vernoemd naar een vrouw genaamd Alice, maar haar identiteit kon niet met zekerheid worden vastgesteld.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.