Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera spatulata
Drosera spatulata
Deze zonnedauw, in het Engels 'spoon-leaved sundew', is de zonnedauw van de lange kustlijn van de westelijke Stille Oceaan. Drosera spatulata komt voor van Japan en Zuid-China via Taiwan, Zuidoost-Azië, Micronesië en Nieuw-Guinea tot Oost-Australië, Tasmanië en Nieuw-Zeeland — een van de ruimste arealen van alle zonnedauwsoorten. Het is een kleine, platte, rode rozet die je vooral vindt waar de grond nat en open is, en die in veel streken dankzij wegbermen en greppels zelfs profiteert van de mens.




Herkenning
Een vlakke rozet, meestal rond 4 cm breed, maar afhankelijk van de herkomst tussen 2 en 6 cm. De bladeren liggen plat tegen de grond of staan iets schuin. Elk blad bestaat uit een smalle bladsteel die geleidelijk overgaat in een spatel- of lepelvormige schijf van ongeveer 5 bij 4 mm; die schijf is breder dan de steel maar langer dan breed. In de zon kleurt de hele rozet dieprood, in de schaduw blijft hij groen met rode tentakels. In de vroege zomer verschijnen een of meer rechtopstaande bloemstengels tot ongeveer 8 cm, elk met zo'n zes kleine witte of roze bloemen die na elkaar opengaan, telkens maar één of twee tegelijk.
Gelijkende soorten
In Australië en Nieuw-Zeeland lijkt hij het meest op Drosera pygmaea, maar die is veel kleiner (rozet onder 2 cm), heeft ronde, bijna schildvormige bladschijfjes en vierdelige in plaats van vijfdelige bloemen. Drosera burmannii, die in tropisch Queensland en Zuidoost-Azië naast hem kan staan, heeft wigvormige bladeren met opvallend lange randtentakels en een rozet die strakker tegen de grond ligt. In Japan staat hij soms samen met Drosera rotundifolia, waarmee hij de natuurlijke hybride vormt die als Drosera tokaiensis bekendstaat; die heeft bredere, rondere schijven en is in het veld soms lastig te scheiden.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De tentakels op de bladschijf dragen elk een druppel kleverig slijm; een mug of springstaart die erop landt blijft vastzitten, en de tentakels buigen in de loop van minuten tot uren naar de prooi toe, waarna het blad enigszins om de vangst heen komt te liggen. Verteringsenzymen lossen de zachte delen op en de klieren nemen de voedingsstoffen weer op. Omdat de rozet vlak op de grond ligt, bestaat de vangst vooral uit kruipende en laagvliegende kleine insecten.
Standplaats en ecologie
Natte, open en voedselarme grond met veel licht: zandige en venige heide, moerasranden, sijpelplekken op zandsteen en de natte rand van veenmoerassen (W4, R1). Opvallend vaak staat hij op door mensen gemaakte plekken, zoals natte wegbermen, afgegraven taluds en greppels (H2), waar de concurrentie van hogere planten tijdelijk ontbreekt. In Victoria wordt hij vaak samen met Drosera binata aangetroffen. Hij verdraagt geen overgroeiing; zodra struiken en grassen de plek dichtzetten, verdwijnt hij.
Verspreiding en hoogte
Van Japan en Zuid-China via Taiwan, de Filipijnen, Borneo en de rest van Zuidoost-Azië, Micronesië en Nieuw-Guinea naar Oost-Australië (Queensland, New South Wales, Victoria), Tasmanië en Nieuw-Zeeland. De soort werd in 1804 door Labillardière beschreven naar materiaal uit Tasmanië. In Victoria is hij ongewoon, in de kuststreken van New South Wales en Queensland veel algemener. Betrouwbare hoogtegrenzen voor het hele areaal ontbreken; het hoogteveld blijft leeg.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Het is een uitgesproken variabele soort, en de vormen worden in de literatuur en in de liefhebberij vaak naar hun vindplaats aangeduid. Er zijn twee variëteiten formeel beschreven: var. gympiensis (2005, uit Zuidoost-Queensland) en var. bakoensis (2009, uit het Bako National Park op Borneo). Binnen de soort komen verschillende chromosoomaantallen voor, en de verhoudingen tot verwante vormen in Oost-Azië zijn nog niet volledig uitgezocht. De Japanse Drosera tokaiensis wordt beschouwd als een stabiel geworden hybride van D. spatulata en D. rotundifolia. De naam wordt vaak verkeerd gespeld als 'spathulata', een fout die teruggaat op een publicatie uit 1824.
Waar en wanneer te zien
Zoek in de lente en vroege zomer op natte, open plekken langs wandelpaden door kustheide en langs natte wegbermen; de rode rozetten steken dan scherp af tegen lichtgekleurd zand. Kijk laag bij de grond en bij voorkeur in de zon: de druppels vangen het licht en verraden zelfs rozetten van een paar centimeter. Waar je Drosera binata of Drosera pygmaea ziet, loont het om naar deze soort te zoeken. Stap niet op sijpelplekken op rots; de dunne laag mos en algen waarin de plantjes wortelen, trapt snel los.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Gezien het enorme areaal en het vermogen om nieuw ontstane natte, open plekken snel te koloniseren, is er wereldwijd weinig reden tot zorg. Lokaal ligt dat anders: in Victoria is hij ongewoon en gaat hij achteruit door het verdwijnen en verdrogen van natte heide. Ook elders zijn het ontwatering, verstedelijking van kustgebieden en het dichtgroeien van open plekken die populaties bedreigen.
Wetenschappelijke naam
Drosera spatulata | Labillardière, 1804
Drosera spatulata werd beschreven door Jacques-Julien Houton de Labillardière, gepubliceerd in "Novae Hollandiae Plantarum Specimen", deel 1: 79, tabel 106, figuur 1 (1804/1805). Het typemateriaal is afkomstig uit Tasmanië, vermoedelijk verzameld door Labillardière zelf tijdens zijn reis met de Franse expeditie naar Australië/Tasmanië eind 18e eeuw. De exacte verzameldatum en -locatie konden niet met zekerheid worden achterhaald. De naam is beschrijvend Latijn: "spatulata" betekent "spatelvormig", verwijzend naar de vorm van de bladeren die aan een spatel of lepel doen denken.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.