Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera spatulata

Drosera spatulata

Deze zonnedauw, in het Engels 'spoon-leaved sundew', is de zonnedauw van de lange kustlijn van de westelijke Stille Oceaan. Drosera spatulata komt voor van Japan en Zuid-China via Taiwan, Zuidoost-Azië, Micronesië en Nieuw-Guinea tot Oost-Australië, Tasmanië en Nieuw-Zeeland — een van de ruimste arealen van alle zonnedauwsoorten. Het is een kleine, platte, rode rozet die je vooral vindt waar de grond nat en open is, en die in veel streken dankzij wegbermen en greppels zelfs profiteert van de mens.

Drosera spatulata
Foto: John Robert McPherson — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera spatulata — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Harry Rose from South West Rocks, Australia — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera spatulata — de bloem
De bloem · Foto: Harry Rose from South West Rocks, Australia — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera spatulata — de standplaats
De standplaats · Foto: 辰之進 ( talk ) — Public domain · Wikimedia Commons

Herkenning

Een vlakke rozet, meestal rond 4 cm breed, maar afhankelijk van de herkomst tussen 2 en 6 cm. De bladeren liggen plat tegen de grond of staan iets schuin. Elk blad bestaat uit een smalle bladsteel die geleidelijk overgaat in een spatel- of lepelvormige schijf van ongeveer 5 bij 4 mm; die schijf is breder dan de steel maar langer dan breed. In de zon kleurt de hele rozet dieprood, in de schaduw blijft hij groen met rode tentakels. In de vroege zomer verschijnen een of meer rechtopstaande bloemstengels tot ongeveer 8 cm, elk met zo'n zes kleine witte of roze bloemen die na elkaar opengaan, telkens maar één of twee tegelijk.

Gelijkende soorten

In Australië en Nieuw-Zeeland lijkt hij het meest op Drosera pygmaea, maar die is veel kleiner (rozet onder 2 cm), heeft ronde, bijna schildvormige bladschijfjes en vierdelige in plaats van vijfdelige bloemen. Drosera burmannii, die in tropisch Queensland en Zuidoost-Azië naast hem kan staan, heeft wigvormige bladeren met opvallend lange randtentakels en een rozet die strakker tegen de grond ligt. In Japan staat hij soms samen met Drosera rotundifolia, waarmee hij de natuurlijke hybride vormt die als Drosera tokaiensis bekendstaat; die heeft bredere, rondere schijven en is in het veld soms lastig te scheiden.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De tentakels op de bladschijf dragen elk een druppel kleverig slijm; een mug of springstaart die erop landt blijft vastzitten, en de tentakels buigen in de loop van minuten tot uren naar de prooi toe, waarna het blad enigszins om de vangst heen komt te liggen. Verteringsenzymen lossen de zachte delen op en de klieren nemen de voedingsstoffen weer op. Omdat de rozet vlak op de grond ligt, bestaat de vangst vooral uit kruipende en laagvliegende kleine insecten.

Standplaats en ecologie

Natte, open en voedselarme grond met veel licht: zandige en venige heide, moerasranden, sijpelplekken op zandsteen en de natte rand van veenmoerassen (W4, R1). Opvallend vaak staat hij op door mensen gemaakte plekken, zoals natte wegbermen, afgegraven taluds en greppels (H2), waar de concurrentie van hogere planten tijdelijk ontbreekt. In Victoria wordt hij vaak samen met Drosera binata aangetroffen. Hij verdraagt geen overgroeiing; zodra struiken en grassen de plek dichtzetten, verdwijnt hij.

Verspreiding en hoogte

Van Japan en Zuid-China via Taiwan, de Filipijnen, Borneo en de rest van Zuidoost-Azië, Micronesië en Nieuw-Guinea naar Oost-Australië (Queensland, New South Wales, Victoria), Tasmanië en Nieuw-Zeeland. De soort werd in 1804 door Labillardière beschreven naar materiaal uit Tasmanië. In Victoria is hij ongewoon, in de kuststreken van New South Wales en Queensland veel algemener. Betrouwbare hoogtegrenzen voor het hele areaal ontbreken; het hoogteveld blijft leeg.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 204 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Het is een uitgesproken variabele soort, en de vormen worden in de literatuur en in de liefhebberij vaak naar hun vindplaats aangeduid. Er zijn twee variëteiten formeel beschreven: var. gympiensis (2005, uit Zuidoost-Queensland) en var. bakoensis (2009, uit het Bako National Park op Borneo). Binnen de soort komen verschillende chromosoomaantallen voor, en de verhoudingen tot verwante vormen in Oost-Azië zijn nog niet volledig uitgezocht. De Japanse Drosera tokaiensis wordt beschouwd als een stabiel geworden hybride van D. spatulata en D. rotundifolia. De naam wordt vaak verkeerd gespeld als 'spathulata', een fout die teruggaat op een publicatie uit 1824.

Waar en wanneer te zien

Zoek in de lente en vroege zomer op natte, open plekken langs wandelpaden door kustheide en langs natte wegbermen; de rode rozetten steken dan scherp af tegen lichtgekleurd zand. Kijk laag bij de grond en bij voorkeur in de zon: de druppels vangen het licht en verraden zelfs rozetten van een paar centimeter. Waar je Drosera binata of Drosera pygmaea ziet, loont het om naar deze soort te zoeken. Stap niet op sijpelplekken op rots; de dunne laag mos en algen waarin de plantjes wortelen, trapt snel los.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Gezien het enorme areaal en het vermogen om nieuw ontstane natte, open plekken snel te koloniseren, is er wereldwijd weinig reden tot zorg. Lokaal ligt dat anders: in Victoria is hij ongewoon en gaat hij achteruit door het verdwijnen en verdrogen van natte heide. Ook elders zijn het ontwatering, verstedelijking van kustgebieden en het dichtgroeien van open plekken die populaties bedreigen.

Wetenschappelijke naam

Drosera spatulata | Labillardière, 1804

Drosera spatulata werd beschreven door Jacques-Julien Houton de Labillardière, gepubliceerd in "Novae Hollandiae Plantarum Specimen", deel 1: 79, tabel 106, figuur 1 (1804/1805). Het typemateriaal is afkomstig uit Tasmanië, vermoedelijk verzameld door Labillardière zelf tijdens zijn reis met de Franse expeditie naar Australië/Tasmanië eind 18e eeuw. De exacte verzameldatum en -locatie konden niet met zekerheid worden achterhaald. De naam is beschrijvend Latijn: "spatulata" betekent "spatelvormig", verwijzend naar de vorm van de bladeren die aan een spatel of lepel doen denken.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.