Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera filiformis

Drosera filiformis

Een zonnedauw die er op het eerste gezicht niet als een zonnedauw uitziet: geen rozet van lepelvormige blaadjes, maar een rechtopstaande bundel draden, elk van onder tot boven bezet met rode, glinsterende druppels. Drosera filiformis is een plant van de Atlantische kustvlakte van Noord-Amerika, van Nova Scotia tot in de Carolina's, en staat daar langs de zandige, zure oevers van vennen en in natte laagtes waar het water in de zomer wegzakt. In de late zomer lijken de groeiplaatsen van een afstand rood te beslaan.

Drosera filiformis
Foto: NoahElhardt — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera filiformis — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Tippitiwichet — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera filiformis — de bloem
De bloem · Foto: incidencematrix — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een overblijvende plant zonder duidelijke stengel, met een pol van rechtopstaande, draadvormige bladeren tot ongeveer 25 cm lang. Een aparte bladsteel en bladschijf zijn er niet: het blad is over bijna de hele lengte met gesteelde klieren bezet, die bij deze soort — en dat is het belangrijkste kenmerk — rood tot purperrood van kleur zijn. Jonge bladeren komen opgerold uit het hart, als de krul van een varenblad. De bloemstengel komt uit het midden en draagt aan een eenzijdige tros enkele tot een tiental bloemen van ongeveer anderhalve centimeter breed, met vijf roze tot purperroze kroonbladen; ze gaan één voor één open, alleen bij zon. In de winter trekt de plant zich terug in een winterknop (hibernaculum), een klein, vast bolletje van opgevouwen bladeren op het zand.

Gelijkende soorten

In Noord-Amerika is er maar één soort die er echt op lijkt: Drosera tracyi uit de kustvlakte van de Golf van Mexico, die lang als variëteit van deze soort werd behandeld. Die is groter, met bladeren tot een halve meter, en heeft groene in plaats van rode tentakels; de bloemen zijn bleker roze. Waar de twee bij elkaar in de buurt komen, in het noordwesten van Florida, staan tussenvormen, en daar is determinatie op het oog alleen niet altijd betrouwbaar. Met de andere zonnedauwen van de oostkust, D. intermedia, D. rotundifolia en D. capillaris, is verwarring niet goed mogelijk: die hebben allemaal een duidelijke bladsteel met een verbrede schijf.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval, zoals bij alle zonnedauwen. Elke klier draagt een druppel kleverig slijm; een insect dat ertegenaan vliegt of kruipt, blijft hangen. Bij deze soort is de beweging van het blad zelf beperkt — een draad kan zich niet om een prooi heen vouwen zoals een ronde bladschijf — maar de tentakels buigen wel naar de prooi toe en brengen hem zo in contact met steeds meer klieren. Juist de lengte van het blad maakt de val effectief: een groot insect dat langs een halve draad strijkt, raakt tientallen druppels tegelijk. Er worden verrassend grote prooien gevangen, tot en met kleine vlinders en libellen, naast de gebruikelijke muggen en vliegjes.

Standplaats en ecologie

Zure, uiterst voedselarme, natte zandgrond en dunne veenlagen op zand: de flauw aflopende oevers van vennen en zure plassen in de kustvlakte, waar het waterpeil in de loop van het jaar sterk schommelt, en natte, open laagtes in dennenbarrens (W6, W4). De plant staat typisch op de zone die in het voorjaar onder water staat en in de zomer droogvalt. Hij verdraagt geen schaduw en profiteert van brand en andere verstoring die struiken terugdringt; langs greppels en in afgegraven zandputten kan hij zich ook vestigen (H1).

Verspreiding en hoogte

Oostelijk Noord-Amerika, langs de Atlantische kustvlakte: in het uiterste zuidwesten van Nova Scotia in Canada, en in de Verenigde Staten in Massachusetts, Rhode Island, Connecticut, New York (Long Island), New Jersey, Delaware, Maryland en North Carolina; verder zijn er opgaven voor Pennsylvania en West Virginia en in het noordwesten van Florida. Het gat tussen Nova Scotia en Cape Cod wordt gewoonlijk verklaard als een overblijfsel van een vroegere, droogvallende kustvlakte tussen beide. Hoogtegegevens zijn hier niet vermeld; het gaat om laaglandvlaktes dicht bij zee.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 72 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Twee vormen zijn lang als variëteiten onderscheiden: de gewone noordelijke vorm en, in het noordwesten van Florida, een kleinere plant zonder winterknop die als var. floridana bekendstaat. De derde vroegere variëteit, tracyi, wordt tegenwoordig als eigen soort behandeld. De Floridaanse planten worden door sommige auteurs gezien als een stabiele tussenvorm tussen D. filiformis en D. tracyi; de status ervan is niet definitief. In deze gids worden ze niet als apart taxon gevoerd.

Waar en wanneer te zien

Juli en augustus zijn de beste maanden, als de bladeren volgroeid zijn en er bloemen aan staan. Ga op een zonnige ochtend: de bloemen openen pas bij zon en sluiten 's middags weer. Zoek aan de randen van vennen in de kustvlakte, op de kale zandige oeverzone; in de late namiddag, met laag licht van achteren, zijn de rode draden van ver te zien. In Nova Scotia staan de weinige plekken onder strikte bescherming en mag je de oevers niet betreden; ook elders zijn de oeverzones kwetsbaar voor vertrapping.

Staat van instandhouding

Op de wereldwijde IUCN-Rode Lijst staat de soort als niet bedreigd (LC); in CITES komt hij niet voor. Het beeld per gebied is wisselender. In Canada, waar hij alleen in het zuidwesten van Nova Scotia groeit, geldt hij wettelijk als bedreigde soort, en ook in verschillende Amerikaanse staten aan de rand van het areaal is hij zeldzaam. De bedreigingen zijn bebouwing van de kustvlakte, turfwinning, ontwatering, en het dichtgroeien van de oevers met struiken zodra brand of peilschommeling wegvalt.

Wetenschappelijke naam

Drosera filiformis | Rafinesque, 1808

Beschreven door Constantine Rafinesque in 1808, in Medical Repository, New York, serie 2, deel 5, p. 360. De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. De soort komt voor van zuidwestelijk Nova Scotia, via New England, tot Florida, langs de kustvlakte van oostelijk Noord-Amerika. Van het Latijnse filum ("draad") en -formis ("vormig") — "draadvormig", verwijzend naar de lange, rechtopstaande, draadachtige bladeren die in een spiraal ontrollen.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.