Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera intermedia
Drosera intermedia | Kleine zonnedauw
De kleine zonnedauw, en in de Lage Landen de gewoonste van de drie inheemse soorten — al is gewoon hier een betrekkelijk begrip. Drosera intermedia is een van de meest wijdverspreide zonnedauwen ter wereld: hij staat in Europa van Portugal tot Scandinavië en Rusland, in oostelijk Noord-Amerika van Newfoundland tot Texas, en ook, verrassend, op Cuba, Hispaniola en in het noorden van Zuid-Amerika. Meer dan zijn twee Europese verwanten is het een plant van kaal, nat zand en van de oeverzones van vennen, waar het water komt en gaat.




Herkenning
Een overblijvende rozet waarvan de bladeren schuin omhoog staan, tot ongeveer 10 cm hoog. Elk blad bestaat uit een lange, kale bladsteel en een veel kortere, omgekeerd eironde tot spatelvormige bladschijf, bezet met rode tentakels. Een belangrijk kenmerk is de bloemstengel: die vertrekt niet uit het hart maar vanaf de zijkant van de rozet, maakt eerst een boog naar buiten en groeit dan omhoog tot ongeveer 15 cm. Hij draagt drie tot acht witte bloemen die één voor één opengaan, alleen bij zon. Na de bloei volgen eivormige zaaddozen met veel klein zaad. In gematigde streken overwintert de plant als winterknop (hibernaculum); tropische populaties doen dat niet. Planten die onder water raken, kunnen een tijd lang als langgerekte, ondergedoken vorm doorgroeien.
Gelijkende soorten
Drosera rotundifolia heeft een ronde bladschijf die breder is dan lang, meestal plat op het mos ligt, en een bloemstengel die recht uit het hart komt. Drosera anglica is groter, heeft een veel langere, smallere schijf en eveneens een centrale bloemstengel. In Noord-Amerika lijkt jonge D. capillaris er sterk op; die heeft een schaars behaarde bladsteel en meestal roze bloemen. Kruisingen met D. rotundifolia komen incidenteel voor, maar zijn zeldzaam en onvruchtbaar.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De rode tentakels op de bladschijf dragen elk een druppel kleverig slijm; een insect dat erin terechtkomt, blijft plakken. De aangeraakte tentakels buigen binnen minuten naar de prooi toe, de omliggende volgen, en bij grotere vangst buigt ook de schijf zelf mee. Enzymen uit de klieren breken de prooi af, waarna stikstof, fosfor en mineralen worden opgenomen. Omdat de plant zo vaak op kaal nat zand staat, bestaat de vangst naast muggen en vliegjes ook veel uit over de grond lopende dieren zoals springstaarten en mieren.
Standplaats en ecologie
Zure, natte, uiterst voedselarme grond, vaker zand dan veen: de kale, vertrapte of pas afgeplagde oeverzones van vennen en zure heideplassen (W6), natte slenken en open plekken in hoogveen (W1), natte duinvalleien (W3), en in Nederland opvallend vaak greppels, afgegraven plekken en plagplekken in natte heide (H1). De plant profiteert sterk van verstoring die het zand kaal maakt en verdraagt kortdurende overstroming goed; hij overleeft hoogwaterperiodes desnoods als zaad in de bodem. Dichtgroeien met pijpenstrootje of struiken betekent zijn einde.
Verspreiding en hoogte
Europa, van Portugal, Spanje en Italië noordwaarts tot Ierland, Groot-Brittannië, Scandinavië en Finland en oostwaarts tot Polen, de Baltische staten, Oekraïne, Wit-Rusland en West-Rusland, met uitlopers in Turkije en de Kaukasus; in Noord-Amerika van Newfoundland en Labrador door het zuidoosten van Canada en het oosten van de Verenigde Staten tot Florida en Texas; verder op Cuba en Hispaniola, en in het noorden van Zuid-Amerika (Venezuela, Trinidad, Guyana, Suriname en Brazilië). In Liberia is hij ingeburgerd. In Nederland komt hij verspreid voor op de zandgronden en in de duinen. Een hoogtebereik voor de soort als geheel is niet betrouwbaar gepubliceerd.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten erkend. De soort is wel opvallend plastisch: planten die langdurig onder water staan, vormen langgerekte stengels met verspreide bladeren, en tropische populaties zonder winterrust zien er anders uit dan de compacte, overwinterende rozetten uit het noorden. Van de natuurlijke kruising met D. rotundifolia (D. × beleziana) is weinig bekend; in deze gids hoort die bij de ouders.
Waar en wanneer te zien
Juli en augustus, als de plant bloeit en de rozetten volgroeid zijn. Zoek aan de randen van vennen op het kale, natte zand vlak boven de waterlijn, en op pas afgeplagde plekken in natte heide; de kleine rode rozetten staan daar soms met honderden op een paar vierkante meter. Kijk op een zonnige dag laag tegen het licht in. Vrijwel alle groeiplaatsen in Nederland liggen in natuurgebieden; blijf op de paden, want de oeverzone is precies waar de plant staat en vertrapping hem schaadt.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst (in de gegevens van deze gids) en staat niet in CITES. Wereldwijd is hij niet bedreigd, maar in grote delen van West- en Midden-Europa is hij sterk achteruitgegaan door ontwatering, ontginning van heide en veen, en vooral door stikstofneerslag, die kale zandige oevers laat dichtgroeien met gras. In Nederland staat hij op de nationale rode lijst en is hij wettelijk beschermd. Natuurbeheer met plaggen en het herstellen van vennen heeft hem op veel plekken geholpen: de plant verschijnt vaak snel op pas afgeplagde grond.
Wetenschappelijke naam
Drosera intermedia | Hayne, 1800
Beschreven door Friedrich Gottlob Hayne (met J.F.P. Dreves) in 1798, in "Botanisches Bilderbuch für die Jugend und Freunde der Pflanzenkunde", deel 3, p. 18, tafel 3B. "Vom Eppendorfer Moor bey Hamburg" — het Eppendorfer Moor bij Hamburg, Duitsland. Lectotype aangewezen door A. Fleischmann & Gonella, bewaard in München (M). Van het Latijnse intermedia ("tussenliggend") — in de vleesetende-plantenliteratuur doorgaans uitgelegd als verwijzing naar de bladvorm, die qua vorm tussen die van D. rotundifolia en D. anglica in ligt; dit is echter niet letterlijk uit een bron bevestigd.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.