Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera anglica

Drosera anglica | Lange zonnedauw

Dit is de grootste van de drie zonnedauwsoorten die in Nederland in het wild voorkomen, en tegelijk de zeldzaamste. Drosera anglica is een plant van het noordelijk halfrond in de breedste zin — hij staat in Ierland en in Japan, in Alaska en in Siberië, op Hawaï en in de laatste natte hoogveenrestanten van de Lage Landen. Wie hem in het veld wil zien, moet zijn voeten nat maken: hij staat waar het veen nog werkelijk drijft.

Drosera anglica (Lange zonnedauw)
Foto: Forest Service Northern Region from Missoula, MT, USA — Public domain · Wikimedia Commons
Drosera anglica — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Noah Elhardt — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons
Drosera anglica — de bloem
De bloem · Foto: No machine-readable author provided. NoahElhardt assumed (based on copyright claims). — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons
Drosera anglica — de standplaats
De standplaats · Foto: No machine-readable author provided. NoahElhardt assumed (based on copyright claims). — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een rozet van 2 tot 6 cm breed, waarvan de bladeren schuin omhoog staan in plaats van plat te liggen. Elk blad bestaat uit een kale of schaars beklierde bladsteel van 3 tot 7 cm en daaraan een smalle, omgekeerd eironde tot langwerpig-spatelvormige schijf van 1,5 tot 3,5, soms 5 cm lang en maar 3 tot 7 mm breed. Op de bovenzijde en de randen van die schijf staan de tentakels: gesteelde klieren die elk een heldere, kleverige druppel dragen en in de zon rood oplichten. De bloeiwijze draagt één tot twaalf bloemen op een kale stengel van 3 tot 25 cm, die duidelijk boven de rozet uitkomt en aan de top eerst omgekruld is. De bloemen zijn 8 tot 10 mm in doorsnede, met witte, zelden rozige, spatelvormige kroonbladen van 5 tot 6 bij 2 tot 3,5 mm; ze gaan alleen open in de volle zon.

Gelijkende soorten

De verwarring zit binnen het geslacht. Drosera rotundifolia heeft een ronde schijf die breder is dan lang en plat tegen het mos ligt; dat is het duidelijkste onderscheid, ook zonder bloem. Drosera intermedia zit er qua vorm tussenin, maar is kleiner, heeft een kortere, breed-spatelvormige schijf en een bloemstengel die vanaf de zijkant van de rozet vertrekt en eerst boogvormig opstijgt, terwijl die bij D. anglica recht uit het hart komt. De lastigste is de natuurlijke hybride Drosera × obovata, uit D. anglica en D. rotundifolia, die precies tussen de ouders in staat; die is kenbaar aan het uitblijven van rijp zaad — de vruchten blijven leeg.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval, en van de vier vangmechanismen in deze gids het meest bewegelijke na de klapval. Elke tentakel draagt aan de top een klier met een druppel die voor de helft uit een kleverige suikerachtige stof bestaat. Een insect dat de druppel aanraakt, blijft eraan vastzitten. Dat is pas het begin: de aangeraakte tentakel begint binnen enkele minuten naar het midden van het blad te buigen, en geeft tegelijk een signaal door aan de omringende tentakels, die zich er in de loop van een half uur tot enkele uren eveneens naartoe wenden. Daarna scheiden de klieren verteringsenzymen af en nemen ze de opgeloste stikstof, fosfor en mineralen weer op; het blad vouwt zich pas open als er niets meer te halen valt. De vangst bestaat vooral uit muggen, dansmuggen en andere kleine tweevleugeligen, precies wat er in een veen in wolken rondhangt.

Standplaats en ecologie

Zure, permanent natte en uiterst voedselarme veengronden: de natte slenken van levend hoogveen, drijvende veenmostapijten langs vennen en aan de rand van laagveenplassen, trilvenen, en — in de duinstreek — jonge natte duinvalleien waar het grondwater tot aan het maaiveld komt (W1, W2, W3). Kenmerkend is dat de plant vrijwel altijd tussen veenmos staat, met de rozet op of net onder het niveau van het watertafel. Hij verdraagt geen beschaduwing en geen verrijking: zodra pijpenstrootje, riet of berk de plek overneemt, of zodra er stikstof uit de lucht of het grondwater bijkomt, verdwijnt hij binnen enkele jaren.

Verspreiding en hoogte

Circumboreaal: rond het hele noordelijk halfrond door de gematigde en boreale zone — van Ierland, Groot-Brittannië en Scandinavië door Midden- en Oost-Europa en Siberië naar Japan, en in Noord-Amerika van Alaska en Canada zuidwaarts tot Quebec, het noorden van Maine, de Grote Meren en Californië. In Nederland is hij beperkt tot een handvol streken: natte hoogveenrestanten in het oosten en noordoosten en enkele natte duinvalleien. Betrouwbaar gepubliceerde hoogtegrenzen voor de soort als geheel ontbreken, zodat het hoogteveld hier leeg blijft.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 627 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten of kleurvormen in het wild onderscheiden, en daar is een evolutionaire reden voor: de soort is zelf ontstaan als een stabiele kruising. Het chromosoomaantal (2n = 40) is het dubbele van dat van D. rotundifolia en D. linearis, en D. anglica wordt beschouwd als de verdubbelde, vruchtbaar geworden hybride van die twee. Dat verklaart zowel de tussenvorm van het blad als de eenvormigheid: er zit weinig genetische speelruimte in. Waar hij samen staat met D. rotundifolia ontstaat de onvruchtbare natuurlijke hybride D. × obovata, die in deze gids bij de ouders hoort.

Waar en wanneer te zien

Juli is het beste moment: de rozetten zijn dan volgroeid en de bloemstengels staan overeind, wat de plant tussen het mos veel beter zichtbaar maakt. Ga bij zonnig weer en kijk tegen de zon in — dan lichten de druppels op als kralen en zie je in één oogopslag hoeveel er staan. Zoek in de natste plekken, niet op de droge bulten: de slenken van een hoogveen, de rand van een drijftil, de laagste plek van een jonge duinvallei. Blijf op de paden of op de knuppelbruggen; een drijvend veenmostapijt is broos, herstelt nauwelijks van betreding, en in Nederland staan bijna alle groeiplaatsen in beschermd gebied waar je niet vrij mag rondlopen.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES; er is dus geen internationale categorie. Wereldwijd is er ook weinig reden tot zorg: in de boreale zone van Canada, Scandinavië en Rusland staat hij in uitgestrekte, weinig aangetaste venen. Het beeld aan de zuidrand van het areaal is een ander. In grote delen van West- en Midden-Europa is hij sterk achteruitgegaan of verdwenen, en in Nederland geldt hij als een van de meest bedreigde plantensoorten van het veen; hij staat er op de nationale rode lijst. De oorzaken zijn overal dezelfde en goed bekend: afgraving en ontwatering van hoogveen, verdroging van duinvalleien, en vooral de neerslag van stikstof uit de lucht, die het veenmos overgroeit met gras en de plant zijn hele voordeel — het leven kunnen van weinig — uit handen slaat.

Wetenschappelijke naam

Drosera anglica | Hudson, 1778

Beschreven door William Hudson in 1778, in "Flora Anglica" (2e druk), deel 1, p. 135. Niet expliciet vermeld, maar aangezien "Flora Anglica" de Engelse flora catalogiseerde, ligt Engeland als typegebied voor de hand; dit is echter niet letterlijk bevestigd in de bronnen. Van het Latijnse anglica ("Engels, van Engeland") — sluit aan bij de Engelse volksnamen "English sundew"/"great sundew" en de titel van Hudsons publicatie.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.