Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera allantostigma

Drosera allantostigma

Drosera allantostigma is een dwergzonnedauw die zo zeldzaam is dat de IUCN hem als ernstig bedreigd en mogelijk al uitgestorven aanmerkt. De naam verwijst naar een detail dat alleen met een loep te zien is: de stempels zijn worstvormig (Latijn allantoideus). Het plantje werd oorspronkelijk door Marchant en Lowrie als ondersoort beschreven en later door Lowrie en Conran tot soort verheven.

Drosera allantostigma
Foto: DevOhm — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een meerjarige rozetplant met vezelige wortels, tot 8 cm hoog, dus voor een dwergzonnedauw aan de hoge kant: bij oudere planten verheft de rozet zich op een kort stammetje. Zoals bij alle dwergzonnedauwen draagt het hart van de rozet een kegel van zilverachtige, vliezige steunblaadjes, en kleine bladeren met gesteelde klieren. De bloemen zijn wit en verschijnen laat in het seizoen, in november en december. Het doorslaggevende kenmerk zit in de bloem: de stijlen eindigen in langwerpige, worstvormige stempels. Precieze bladmaten waren in de bereikbare bronnen niet te vinden.

Gelijkende soorten

De soort behoort tot de groep rond Drosera nitidula en Drosera leucostigma, die eveneens een stammetje vormen en witte bloemen dragen; D. leucostigma werd tegelijk met D. allantostigma van ondersoort tot soort verheven. Het onderscheid ligt vooral in de vorm en kleur van de stempels, en is zonder bloem vrijwel niet te maken. Door de late bloei, in november en december, valt hij buiten de bloeitijd van de meeste andere dwergzonnedauwen in zijn omgeving.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. Elk blaadje draagt gesteelde klieren met een glinsterende, kleverige druppel. Een klein insect dat zich erop zet, raakt vast; de tentakels buigen zich daarna naar de prooi en scheiden verteringsenzymen af, waarna de opgeloste voedingsstoffen worden opgenomen. Bij dwergzonnedauwen gaat het om de kleinste prooidieren, zoals springstaarten en minuscule muggen, die tussen het zand en het strooisel leven.

Standplaats en ecologie

Volgens FloraBase groeit de soort op leem, kiezelzand of venige grond aan de randen van laagtes die in de winter onder water staan (W7, D1). Het is een typische standplaats voor dwergzonnedauwen die tot in de late lente vocht nodig hebben: de rand van een seizoensmoeras droogt pas laat op, wat de late bloei verklaart. In de hete zomer trekt de plant zich terug tot een rustende knop van steunblaadjes.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in het zuidwesten van West-Australië, in de noordelijke zandvlakten (Geraldton Sandplains). Omdat de soort als ernstig bedreigd is aangemerkt, noemt deze gids geen nauwkeuriger vindplaatsen.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten onderscheiden. Taxonomisch heeft de naam wel een geschiedenis: hij werd in 1992 door Marchant en Lowrie beschreven als ondersoort van Drosera nitidula, en later door Lowrie en Conran als zelfstandige soort opgevat. Wie oudere literatuur raadpleegt, vindt hem dus onder D. nitidula subsp. allantostigma.

Waar en wanneer te zien

Deze soort is geen veldtip maar een zoekopdracht voor specialisten. Wie in de noordelijke zandvlakten dwergzonnedauwen zoekt in november en december, en een witbloeiend exemplaar met een stammetje vindt aan de rand van een uitdrogende laagte, doet er goed aan de stempels met een loep te bekijken en een waarneming via de officiële kanalen door te geven, zonder plaatsgegevens openbaar te maken.

Staat van instandhouding

De IUCN beoordeelt de soort als ernstig bedreigd (CR), met de aantekening dat hij mogelijk al is uitgestorven. In West-Australië geldt hij als Priority One, de categorie voor soorten die van zeer weinig plaatsen bekend zijn en mogelijk bedreigd worden. Hij staat niet in CITES. Seizoensmoerassen in de zandvlakten staan onder druk van ontwatering, ontginning en veranderingen in het neerslagpatroon; bij een soort met zo weinig groeiplaatsen kan één ingreep beslissend zijn. De gegevens in deze tekst berusten grotendeels op FloraBase en de oorspronkelijke beschrijving; uitgebreide veldgegevens zijn niet openbaar.

Wetenschappelijke naam

Drosera allantostigma | (Marchant & Lowrie) Lowrie & Conran, 1996

Oorspronkelijk beschreven als Drosera nitidula subsp. allantostigma door N.G. Marchant & Lowrie, in Kew Bulletin, deel 47, nr. 2, p. 325 (29 juni 1992). Verheven tot volwaardige soort door Lowrie & Conran, in Taxon, deel 56, nr. 2, p. 538 (15 juni 2007), als onderdeel van een revisie van het D. omissa/D. nitidula-complex. De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald. De soort komt voor in West-Australië. Van het Grieks/Latijn allantoideus ("worstvormig") en stigma (het ontvangende deel van de stamper) — verwijst naar de worstvormige stempel, een onderscheidend kenmerk ten opzichte van verwante dwergzonnedauwsoorten.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.