Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera brevicornis

Drosera brevicornis

Drosera brevicornis is een klein, meerjarig lid van het D. petiolaris-complex uit het tropische noorden van Australië. De naam betekent 'met korte horens' en verwijst naar een klein detail in de bloem: hoornvormige uitsteeksels boven de helmknoppen. Hoewel er al sinds 1961 herbariumexemplaren van bestonden, werd de soort pas in 1996 door Allen Lowrie formeel beschreven.

Drosera brevicornis
Foto: (c) Roland Muench, some rights reserved (CC BY) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera brevicornis — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: (c) Roland Muench, some rights reserved (CC BY) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera brevicornis — de bloem
De bloem · Foto: (c) Roland Muench, some rights reserved (CC BY) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera brevicornis — de standplaats
De standplaats · Foto: (c) Roland Muench, some rights reserved (CC BY) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine, meerjarige rozet van bladeren met lange, smalle stelen en een klein rond vangschijfje met kliertentakels aan de top — het bouwplan van het hele D. petiolaris-complex. De bloeiwijzen zijn hoog, 30 tot 40 cm, en dragen witte tot roze bloemen. Het naamgevende kenmerk, de korte hoornvormige aanhangsels boven de helmknoppen, is alleen met een loep in een geopende bloem te zien. Betrouwbare bladmaten waren voor deze gids niet beschikbaar; dat maatveld blijft leeg.

Gelijkende soorten

De naaste verwant is Drosera fulva, die eveneens hoge bloeiwijzen heeft maar roodbruine beharing draagt en in de omgeving van Darwin groeit. D. darwinensis lijkt sterk op D. brevicornis, maar heeft veel kortere bloeiwijzen van slechts 5 tot 15 cm. D. dilatatopetiolaris heeft opvallend verbrede, groene bladstelen. Zonder bloemen is betrouwbare determinatie binnen deze groep vrijwel onmogelijk.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De ronde schijfjes aan het uiteinde van de lange stelen dragen kliertentakels met kleverig slijm; kleine insecten die erop landen of eroverheen kruipen blijven plakken, de tentakels buigen naar de prooi en de klieren verteren haar. Net als bij verwanten ligt de vangst vooral in het natte seizoen, wanneer de plant actief groeit.

Standplaats en ecologie

Grindrijke hellingen in open savannebosland (B6), op plekken die in de regentijd nat worden en in de droge tijd uitdrogen (W7). In de droge tijd trekt de plant zich, zoals andere soorten van het complex, terug in een klein knopje van kleinere bladeren.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in Noord-Australië: het Northern Territory en het noorden van West-Australië. De gebiedsomschrijving 'tropisch Noord-Australië' past daarbij. Precieze grenzen van het areaal en hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 60 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten onderscheiden. De soort werd in 1996 door Allen Lowrie beschreven, in dezelfde publicatie als meerdere andere soorten uit het D. petiolaris-complex. Oudere collecties, waarvan de eerste uit 1961 stammen, werden destijds onder andere namen, vooral D. petiolaris, bewaard.

Waar en wanneer te zien

Zoek aan het eind van de regentijd, in maart en april, als de hoge bloeistengels verschijnen, op grindrijke hellingen in savanne. De bloeistengels zijn van een afstand beter te zien dan de kleine rozetten. Neem een loep mee om de bloem te bekijken; zonder bloemdetails blijft de soort nauwelijks van verwanten te scheiden.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); hij staat niet in CITES. Het areaal ligt grotendeels in weinig ontwikkelde savannegebieden. Mogelijke lokale bedreigingen zijn veranderingen in het brandregime, begrazing en de verspreiding van invasieve grassen.

Wetenschappelijke naam

Drosera brevicornis | Lowrie, 1996

Beschreven door Allen Lowrie in 1996, in Nuytsia (tijdschrift van het West-Australische Herbarium), deel 11, nr. 1, p. 55-69 (soortbeschrijving op p. 56). De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. De soort komt voor in het Northern Territory en West-Australië, "van Palmerston tot Kakadu National Park" (NT), op grindhellingen. Van het Latijnse "kortgehoornd" — verwijst naar de hoornachtige uitsteeksels boven de meeldraden.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.