Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera brevicornis
Drosera brevicornis
Drosera brevicornis is een klein, meerjarig lid van het D. petiolaris-complex uit het tropische noorden van Australië. De naam betekent 'met korte horens' en verwijst naar een klein detail in de bloem: hoornvormige uitsteeksels boven de helmknoppen. Hoewel er al sinds 1961 herbariumexemplaren van bestonden, werd de soort pas in 1996 door Allen Lowrie formeel beschreven.




Herkenning
Een kleine, meerjarige rozet van bladeren met lange, smalle stelen en een klein rond vangschijfje met kliertentakels aan de top — het bouwplan van het hele D. petiolaris-complex. De bloeiwijzen zijn hoog, 30 tot 40 cm, en dragen witte tot roze bloemen. Het naamgevende kenmerk, de korte hoornvormige aanhangsels boven de helmknoppen, is alleen met een loep in een geopende bloem te zien. Betrouwbare bladmaten waren voor deze gids niet beschikbaar; dat maatveld blijft leeg.
Gelijkende soorten
De naaste verwant is Drosera fulva, die eveneens hoge bloeiwijzen heeft maar roodbruine beharing draagt en in de omgeving van Darwin groeit. D. darwinensis lijkt sterk op D. brevicornis, maar heeft veel kortere bloeiwijzen van slechts 5 tot 15 cm. D. dilatatopetiolaris heeft opvallend verbrede, groene bladstelen. Zonder bloemen is betrouwbare determinatie binnen deze groep vrijwel onmogelijk.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De ronde schijfjes aan het uiteinde van de lange stelen dragen kliertentakels met kleverig slijm; kleine insecten die erop landen of eroverheen kruipen blijven plakken, de tentakels buigen naar de prooi en de klieren verteren haar. Net als bij verwanten ligt de vangst vooral in het natte seizoen, wanneer de plant actief groeit.
Standplaats en ecologie
Grindrijke hellingen in open savannebosland (B6), op plekken die in de regentijd nat worden en in de droge tijd uitdrogen (W7). In de droge tijd trekt de plant zich, zoals andere soorten van het complex, terug in een klein knopje van kleinere bladeren.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in Noord-Australië: het Northern Territory en het noorden van West-Australië. De gebiedsomschrijving 'tropisch Noord-Australië' past daarbij. Precieze grenzen van het areaal en hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten onderscheiden. De soort werd in 1996 door Allen Lowrie beschreven, in dezelfde publicatie als meerdere andere soorten uit het D. petiolaris-complex. Oudere collecties, waarvan de eerste uit 1961 stammen, werden destijds onder andere namen, vooral D. petiolaris, bewaard.
Waar en wanneer te zien
Zoek aan het eind van de regentijd, in maart en april, als de hoge bloeistengels verschijnen, op grindrijke hellingen in savanne. De bloeistengels zijn van een afstand beter te zien dan de kleine rozetten. Neem een loep mee om de bloem te bekijken; zonder bloemdetails blijft de soort nauwelijks van verwanten te scheiden.
Staat van instandhouding
Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); hij staat niet in CITES. Het areaal ligt grotendeels in weinig ontwikkelde savannegebieden. Mogelijke lokale bedreigingen zijn veranderingen in het brandregime, begrazing en de verspreiding van invasieve grassen.
Wetenschappelijke naam
Drosera brevicornis | Lowrie, 1996
Beschreven door Allen Lowrie in 1996, in Nuytsia (tijdschrift van het West-Australische Herbarium), deel 11, nr. 1, p. 55-69 (soortbeschrijving op p. 56). De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. De soort komt voor in het Northern Territory en West-Australië, "van Palmerston tot Kakadu National Park" (NT), op grindhellingen. Van het Latijnse "kortgehoornd" — verwijst naar de hoornachtige uitsteeksels boven de meeldraden.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.