Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera fragrans
Drosera fragrans
Drosera fragrans is een zonnedauw die je eerder ruikt dan ziet: de bloemen verspreiden een zoete geur die waarnemers vergelijken met die van honingmeloen. De soort werd pas recent door Allen Lowrie beschreven, als onderdeel van zijn grote overzicht van de vleesetende planten van Australië. Anders dan veel andere zonnedauwsoorten uit het tropische noorden behoort hij niet tot het D. petiolaris-complex, maar tot de D. indica-groep (sectie Arachnopus).

Herkenning
Een eenjarige zonnedauw uit de D. indica-groep: planten met een rechtopstaande tot klimmende stengel en lange, smalle, van kliertentakels voorziene bladeren, die slechts één groeiseizoen leven. Het opvallendste kenmerk is de geur van de bloemen, zoet en fruitig, die bij verwante soorten van de groep ontbreekt of veel zwakker is. Betrouwbare maten en bloemkleur uit de oorspronkelijke beschrijving waren voor deze gids niet beschikbaar; die velden blijven leeg.
Gelijkende soorten
De verwarring zit binnen de D. indica-groep, die in Noord-Australië een reeks sterk gelijkende eenjarige soorten telt, zoals D. finlaysoniana, D. hartmeyerorum, D. serpens, D. aquatica en D. glabriscapa. Zij verschillen onderling in beharing, bouw van de helmknoppen en zaadvorm. De geur van de bloemen is bij D. fragrans een bruikbaar veldkenmerk, maar vereist bloeiende planten en een goede neus. Soorten uit het D. petiolaris-complex zijn eenvoudig te onderscheiden door hun rozet van lange stelen met een klein rond schijfje.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval over de lengte van het blad. De tentakels vangen vooral vliegende insecten die tegen de bladeren aan vliegen of erop landen. Er zijn aanwijzingen dat de bloemgeur invloed heeft op welke insecten in de omgeving van de plant komen, en daarmee mogelijk op de samenstelling van de prooi; dit is echter niet in detail onderzocht.
Standplaats en ecologie
Open, zonnige plekken in de tropische savanne die in de regentijd nat worden (W7), in savannebosland (B6). Als eenjarige overleeft hij de droge tijd uitsluitend als zaad.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in Noord-Australië: het noorden van West-Australië en het Northern Territory. De gebiedsomschrijving 'tropisch Noord-Australië' past daarbij. Precieze grenzen en hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten onderscheiden. De soort is een van de vele die sinds 2000 uit het brede begrip D. indica zijn afgesplitst, en behoort tot de sectie Arachnopus. Oudere gegevens van 'D. indica' uit het noorden van West-Australië en het Northern Territory kunnen daarom op deze soort betrekking hebben.
Waar en wanneer te zien
Zoek in de regentijd op open, natte plekken in savanne en ruik aan de bloemen: de zoete meloengeur is het snelste kenmerk om deze soort van verwanten te onderscheiden. Maak daarnaast een foto van bloem en stengel, en noteer de vindplaats; voor een zekere determinatie binnen de D. indica-groep is dat vaak nodig.
Staat van instandhouding
Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); hij staat niet in CITES. Het areaal ligt grotendeels in weinig ontwikkelde savannegebieden. Lokale bedreigingen zijn veranderingen in het brandregime, begrazing en invasieve grassen, die de open natte plekken dichtgroeien waarop de soort als eenjarige afhankelijk is.
Wetenschappelijke naam
Drosera fragrans | Lowrie, 2013
Beschreven door Allen Lowrie, in "Carnivorous Plants of Australia Magnum Opus", deel 3, p. 1271 — bronnen verschillen licht over het jaar (2013 dan wel 2014). De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. De soort komt voor in noordelijk West-Australië en het Northern Territory. Vernoemd naar de sterke, zoete geur van blad en stengel, vergeleken met honingmeloen — vermoedelijk speelt deze geur een rol bij het aantrekken van prooi.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.