Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera burmannii
Drosera burmannii
Drosera burmannii, in het Engels 'tropical sundew', is een klein, eenjarig rozetje met een reputatie: het is een van de snelste vangers in het hele geslacht. Waar de meeste zonnedauwsoorten er uren over doen om een insect in te pakken, buigen zijn randtentakels binnen seconden. De soort heeft een ruim tropisch areaal, van India via Zuid-China en Zuidoost-Azië tot Noord- en Oost-Australië, en staat vaak op open, seizoensnatte grond.




Herkenning
Een compacte, vlak tegen de grond gedrukte rozet, meestal rond 2 cm breed, groen of in de zon rood gekleurd. De bladeren zijn wigvormig tot bijna rond, 6 tot 10 mm lang en 4 tot 6 mm breed, zonder duidelijke bladsteel. Kenmerkend zijn de randtentakels: die zijn opvallend lang en staan als een krans rondom het blad, terwijl de tentakels op de bladschijf kort zijn. Een plant maakt één tot drie dunne, rechtopstaande bloeistengels met elk drie tot tien kleine witte bloemen. De bloemen hebben vijf afzonderlijke stijlen, een kenmerk van de kleine sectie Thelocalyx waarin de soort staat.
Gelijkende soorten
Drosera spatulata heeft langwerpige, lepelvormige bladeren op een duidelijke steel en mist de krans van lange randtentakels. In Noord-Australië kan hij verward worden met jonge rozetten van soorten uit het D. petiolaris-complex, maar die hebben lange, smalle bladstelen met een klein rond schijfje aan de top en vaak witte beharing. De nauw verwante Drosera sessilifolia uit Zuid-Amerika is het tweede lid van de sectie; die komt niet in hetzelfde gebied voor.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval met een zweepslag. De lange randtentakels zijn gevoelig voor aanraking en kunnen binnen enkele seconden naar het midden van het blad klappen, waarbij ze een insect dat aan de rand vastzit naar de korte, verterende tentakels in het centrum brengen. Daarna krult het blad zelf enigszins om de prooi. Deze snelle beweging, vergelijkbaar met die van Drosera glanduligera uit Zuid-Australië, maakt het mogelijk ook actievere prooien zoals mieren en springstaarten vast te houden.
Standplaats en ecologie
Open, zonnige en voedselarme grond die in het regenseizoen nat is en daarna kan opdrogen: seizoensmoerassen en natte laagten (W7), open plekken in savanne en tropisch bosland (B6), zandvlakten (D1) en verstoorde grond zoals natte bermen, paden en oude akkers (H2). Als eenjarige plant overleeft hij de droge tijd als zaad; na de eerste regens kiemen de zaden massaal.
Verspreiding en hoogte
Tropisch en subtropisch Azië — India, Sri Lanka, Zuidoost-Azië, Taiwan en de Zuid-Chinese provincies Guangxi, Guangdong, Yunnan en Fujian — en Australië, waar hij vooral in het tropische noorden en langs de oostkust voorkomt. Bloeitijden en hoogtegrenzen verschillen sterk per regio en zijn niet eenduidig gepubliceerd; die velden blijven leeg.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten formeel onderscheiden, maar de soort varieert in kleur (groen tot dieprood) en in de mate waarin de bladeren rond of wigvormig zijn. In cultuur circuleren vormen die naar hun herkomst worden aangeduid. In de natuur is de plant eenjarig; onder gunstige omstandigheden kan hij langer blijven leven. De naam eert Johannes Burman, die de plant in 1737 beschreef; Vahl gaf haar in 1794 de geldige naam.
Waar en wanneer te zien
Zoek na het begin van het regenseizoen op open, natte zand- of leemplekken in savannegebied, langs paden en in natte bermen. De rozetten zijn klein maar vallen door hun rode kleur en de krans glinsterende randtentakels op. Wie geduld heeft, kan de vangbeweging zelf zien: een aangeraakte randtentakel klapt zichtbaar naar binnen. Doe dat voorzichtig met een grassprietje en niet vaker dan één keer per blad — iedere beweging kost de plant energie.
Staat van instandhouding
Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); hij staat niet in CITES. Door het enorme areaal en het vermogen om snel verstoorde natte grond te koloniseren, is hij wereldwijd niet bedreigd. Lokaal gaat hij achteruit waar natte laagten worden drooggelegd of bemest. In de Ayurvedische traditie werd de plant als huidprikkelend middel gebruikt, maar verzameling op grote schaal is geen belangrijke bedreiging.
Wetenschappelijke naam
Drosera burmannii | Vahl, 1794
Beschreven door Martin Vahl in 1794, in Symbolae Botanicae, deel 3, p. 50. De juiste oorspronkelijke spelling is "burmannii" (van het gelatiniseerde "Burmannus"), al wordt vaak de foutieve spelling "burmanni" gebruikt. De precieze typelocatie van Vahls beschrijving kon niet worden achterhaald. Oudere, voor-Linneaanse beschrijvingen (Paul Hermann, postuum gepubliceerd door William Sherard; en Johannes Burmans uitgebreidere verslag uit 1737) waren beide gebaseerd op materiaal van Ceylon (Sri Lanka), maar dit is niet bevestigd als Vahls eigen typelocatie. De soort komt tegenwoordig voor in India, Taiwan, Zuidoost-Azië, China en Australië. Vernoemd naar Johannes Burman, de botanicus die in 1737 de eerste gedetailleerde beschrijving van de soort gaf.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.