Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera pygmaea

Drosera pygmaea

Van de ruim veertig dwergzonnedauwsoorten is dit de enige die de oversteek naar Nieuw-Zeeland heeft gemaakt, en de enige die in Zuidoost-Australië algemeen voorkomt. Drosera pygmaea is werkelijk minuscuul: een rozet zo groot als een vingernagel, die makkelijk voor een rood mosje wordt aangezien. Hij heeft bovendien een kenmerk dat hem van vrijwel alle andere zonnedauwsoorten scheidt: bloemen met vier in plaats van vijf kroonbladen.

Drosera pygmaea
Foto: MFdeS — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera pygmaea — de standplaats
De standplaats · Foto: Liese Coulter, CSIRO — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een platte rozet van 5 tot 20 mm breed, op een uiterst korte stengel, donkerrood, felgroen of geelgroen van kleur. De bladeren bestaan uit een steel van hooguit 6 mm en een bijna ronde, half-schildvormige schijf van slechts 1,5 tot 2 mm doorsnee, bezet met gesteelde klieren. In het hart van de rozet zitten zilverachtige, vliezige steunblaadjes die als een klein kegeltje omhoog steken. Elke bloemsteel draagt één witte, vierdelige bloem van ongeveer 3 mm doorsnee met kroonbladen tot 2,5 mm. De vrucht is een vierkleppige, elliptische doosvrucht. Aan het eind van het seizoen vormt de plant in het hart kleine broedknopjes.

Gelijkende soorten

In Australië staan meer dwergzonnedauwsoorten, vooral in het zuidwesten; die hebben echter vijfdelige bloemen, zodat een bloeiende plant direct te herkennen is. Zonder bloem helpt de combinatie van zeer kleine, ronde schijfjes en het zilverige kegeltje van steunblaadjes. Drosera spatulata kan ernaast staan, maar is groter, met langwerpige lepelbladeren en bloemstengels met meerdere bloemen. Jonge rozetten van Drosera auriculata of D. gunniana hebben halvemaanvormige bladeren.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op kleine schaal. De randtentakels van het schijfje zijn relatief lang en kunnen binnen korte tijd naar een aangekleefde prooi buigen; de korte tentakels in het midden verteren. De prooi bestaat uit het kleinste wat over de grond kruipt: springstaarten, mijten en zeer kleine muggen. Voor een plant van deze afmetingen is ook zulke kleine vangst een wezenlijke bron van stikstof en fosfor.

Standplaats en ecologie

Open, natte tot vochtige en zeer voedselarme grond met veel licht: zandige en venige plekken in heide en struweel (B5), de randen van veenmoerassen (W4) en plekken die 's winters nat staan en 's zomers kunnen opdrogen (W7). In Nieuw-Zeeland is hij kenmerkend voor gumland- en pakihi-struwelen en aangrenzende venen, van de kust tot in de subalpiene zone. Hij heeft open grond nodig; zodra hogere planten oprukken, verdwijnt hij.

Verspreiding en hoogte

Australië (in het zuidwesten en het zuidoosten, inclusief Tasmanië) en Nieuw-Zeeland. Op het Noordereiland komt hij voor van Te Paki zuidwaarts tot rond Dargaville en bij Waiouru; op het Zuidereiland alleen bij Bluff Hill. In het gebied rond Auckland is hij waarschijnlijk verdwenen. Betrouwbare hoogtegrenzen voor het hele areaal ontbreken; het hoogteveld blijft leeg.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 277 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten onderscheiden. De soort behoort tot de dwergzonnedauwen (sectie Bryastrum), een groep met het zwaartepunt in Zuidwest-Australië, en is daarbinnen de enige met vierdelige bloemen. Het levenscyclusbeeld varieert: de plant kan eenjarig of tweejarig zijn en overleeft ongunstige perioden als zaad of via broedknopjes. Kleurverschillen tussen rood en groen hangen samen met de lichtsterkte.

Waar en wanneer te zien

Ga op zoek in de late lente, als de rozetten volgroeid zijn en de eerste bloempjes opengaan; bloemen gaan alleen open in zon en sluiten 's middags vaak weer. Kniel neer op open, nat zand langs paden door heide en gumland en kijk van vlakbij: de rozetten zijn te klein om staand te zien. In Nieuw-Zeeland is het uiterste noorden, vanaf Kaitaia, het beste gebied. Let op waar je je knieën en voeten zet; op een geschikte plek staan vaak honderden rozetten op een paar vierkante meter.

Staat van instandhouding

Wereldwijd staat de soort als Niet bedreigd (LC) op de IUCN-Rode Lijst; hij staat niet in CITES. In Nieuw-Zeeland geldt hij als 'At Risk – Naturally Uncommon' (2023); eerdere beoordelingen spraken van 'Nationally Vulnerable'. De bedreigingen daar zijn ontwatering van wetlands, wegonderhoud en het oprukken van invasieve struiken en grassen. In Australië is hij plaatselijk algemeen, al is ook daar veel natte heide verdwenen.

Wetenschappelijke naam

Drosera pygmaea | de Candolle, 1824

Drosera pygmaea werd beschreven door de Zwitserse botanicus Augustin Pyramus de Candolle, in "Prodromus Systematis Naturalis Regni Vegetabilis", deel 1, pagina 317, in 1824. De soort komt voor in Australië en Nieuw-Zeeland, van kustgebieden tot subalpiene zones. De precieze verzamelplaats, verzamelaar en verzameldatum van het typeexemplaar konden niet met zekerheid worden achterhaald. Het epitheton pygmaea is Latijn voor "dwerg" en verwijst naar de zeer geringe afmetingen van deze plant, die doorgaans slechts 8 tot 18 mm in diameter meet — daarmee een van de kleinste soorten binnen het geslacht Drosera. Het is een beschrijvende naam.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.