Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera erythrorhiza
Drosera erythrorhiza
De 'red ink sundew' dankt zijn Engelse naam aan zijn knol: wie hem opgraaft, krijgt vingers die rood kleuren als van inkt. John Lindley beschreef Drosera erythrorhiza, 'de roodwortelige', al in 1839 in zijn schets van de vegetatie van de Swan River-kolonie. Het is de naamgevende soort van de sectie Erythrorhiza, de knolzonnedauwen met een platte rozet, en een van de meest verbreide zonnedauwen van het zuidwesten.




Herkenning
Een meerjarige knolplant met een vlakke rozet van brede bladeren die plat tegen de grond liggen; met de bloeiwijze wordt de plant tot 12 cm hoog. De bladeren zijn aan de bovenzijde bezet met gesteelde klieren. Wat de soort binnen zijn sectie onderscheidt, is de bloeiwijze: een vertakte, cymeuze tros met veel bloemen, tot ongeveer vijftig. De bloemen zijn wit en verschijnen vroeg in het seizoen, van april tot juni. Bladvorm, bladbreedte en het aantal bladeren per rozet verschillen sterk per ondersoort. De ondergrondse knol is dieprood.
Gelijkende soorten
Drosera bulbosa en verwanten vormen eveneens platte rozetten uit een knol, maar dragen enkele bloemen dicht op de rozet in plaats van een vertakte, veelbloemige bloeiwijze. Drosera zonaria heeft een opvallende rode bladrand. Drosera browniana bloeit later en rozewit. De veelbloemige bloeiwijze boven een platte rozet is het beste kenmerk van D. erythrorhiza; buiten de bloei kunnen de bladeren van ondersoort squamosa herkend worden aan de rode randen, veroorzaakt door dichtstaande rode tentakels.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval op grondniveau. De brede, platte bladeren werken als kleefmatten voor mieren, springstaarten, kevertjes en laagvliegende insecten. Tentakels buigen zich over de prooi, waarna verteringsenzymen worden afgescheiden. De opgenomen voedingsstoffen gaan grotendeels naar de nieuwe knol die de plant elk jaar vormt.
Standplaats en ecologie
Zeer uiteenlopend: geelgrijs zand, roodbruine zandige leem, lateriet en graniet, op kustvlakten, aan moerasranden en op ruggen (FloraBase) (D1, D3, R3, W7). De plant groeit in heide en open bos. Hij komt op met de eerste herfstregens en trekt zich in de late winter terug in de knol, die diep in de grond de droge zomer doorkomt.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in het zuidwesten van West-Australië. FloraBase noemt zeven bioregio's, van de Geraldton Sandplains in het noorden via de Swan Coastal Plain en het Jarrah Forest tot de Warren en Esperance Plains in het zuiden en de Avon Wheatbelt en Mallee in het binnenland.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
In 1992 onderscheidden Marchant en Lowrie vier ondersoorten, vooral op bladvorm en verspreiding: subsp. erythrorhiza (minder, bredere bladeren), subsp. collina (van heuvels, wisselende bladvorm), subsp. magna (grotere, bredere en talrijkere bladeren) en subsp. squamosa (rode bladranden). Diels erkende eerder een variëteit imbecilla. Chrtek en Slavíková stelden in 1999 voor de groep in een eigen geslacht Sondera te plaatsen, maar dat wordt weinig gevolgd. In recentere behandelingen worden sommige ondersoorten als afzonderlijke soorten opgevat; deze gids behandelt de soort in brede zin.
Waar en wanneer te zien
Kom in mei of juni, na goede herfstregens. De platte, groen tot roodachtige rozetten liggen dan tussen het strooisel van heide en open bos, soms in dichte tapijten. Rozetten die bloeien zijn vaak het talrijkst in het jaar na een brand. Graaf nooit een knol op om de rode kleur te zien: de plant is voor het volgende seizoen volledig van die knol afhankelijk.
Staat van instandhouding
Beoordeeld als niet bedreigd (LC) op de IUCN-Rode Lijst en in West-Australië als 'Not threatened'. Niet in CITES. Het grote verspreidingsgebied en de brede standplaatskeuze maken de soort als geheel weinig kwetsbaar. Plaatselijk zijn populaties verdwenen door ontginning en verstedelijking, met name op de kustvlakte rond Perth.
Wetenschappelijke naam
Drosera erythrorhiza | Lindley, 1839
Beschreven door John Lindley in 1839, in "A Sketch of the Vegetation of the Swan River Colony". Dezelfde publicatie (1992, Marchant & Lowrie, Kew Bulletin) die eerder in deze golf al meermaals voorkwam, bracht later drie ondersoorten (collina, erythrorhiza, magna) en een ondersoort squamosa (oorspronkelijk Bentham) onder deze soort. De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald; het materiaal werd verzameld tijdens Lindleys werk aan de flora van de Swan River Colony, West-Australië. Van het Griekse erythros ("rood") en rhiza ("wortel") — verwijst naar het roodgekleurde wortel-/knolstelsel van de plant, vandaar ook de Engelse volksnaam "red ink sundew".
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.