Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera graniticola
Drosera graniticola
De naam zegt het al: graniticola betekent 'bewoner van graniet'. Neville Marchant beschreef deze rechtopstaande knolzonnedauw in 1982 in deel 8 van de Flora of Australia. Het is een soort van de granietrotsen in de oostelijke Wheatbelt, met een zeer klein verspreidingsgebied in de streek rond Hyden en Kulin.

Herkenning
Een meerjarige, rechtopstaande knolplant van 10 tot 20 cm hoog. Langs de stengel staan kleine, schildvormige vangblaadjes met tentakels, zoals bij andere leden van de sectie Ergaleium. De bloemen zijn wit en verschijnen in augustus en september. Precieze maten van bladeren en bloemen waren in de toegankelijke bronnen niet te vinden; de oorspronkelijke beschrijving in de Flora of Australia is voor deze gids niet ingezien.
Gelijkende soorten
In hetzelfde granietlandschap groeit Drosera andersoniana, eveneens rechtopstaand, maar met een opvallende basale bladrozet en rozige tot rode bloemen. Verder zijn er in de Wheatbelt meerdere kleine, rechtopstaande knolzonnedauwen met witte bloemen uit de verwantschap van Drosera peltata en Drosera stricticaulis; voor een zekere determinatie zijn bladvorm, kelk en de details van de bloeiwijze nodig.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De schildvormige blaadjes langs de stengel dragen tentakels met kleefdruppels en vangen vooral kleine vliegende insecten. Na vangst buigen de tentakels zich om de prooi en scheiden de klieren verteringsenzymen af. De opgenomen voedingsstoffen gaan grotendeels naar de knol, die de plant door de lange, hete zomer van het binnenland helpt.
Standplaats en ecologie
Granietrotsen (FloraBase) (R3): de ondiepe grond en mosmatten op en rond de granietkoepels van de Wheatbelt, waar in de winter regenwater van de rots afstroomt. Daarbuiten is het landschap droog; de rotsen vormen vochtige eilanden in een halfdroog gebied. De zomer overleeft de plant als knol.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in het zuidwesten van West-Australië, in de bioregio Mallee, deelgebied Western Mallee. FloraBase kent de soort uit de gemeente Kulin; de basislijst noemt de omgeving van Hyden, die er vlak naast ligt. Het is een van de zonnedauwen met het kleinste bekende verspreidingsgebied.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. De soort wordt ingedeeld in het ondergeslacht en de sectie Ergaleium, de rechtopstaande en klimmende knolzonnedauwen.
Waar en wanneer te zien
De granietrotsen rond Hyden, met de bekende Wave Rock, trekken veel bezoekers; in augustus en september is dat ook de tijd voor deze soort. Zoek aan de voet van de rotsen en in mosmatten waar water van de koepel afstroomt, maar stap niet op de mosmatten zelf. Geef waarnemingen door via de officiële kanalen.
Staat van instandhouding
De IUCN-code in deze gids is kwetsbaar (VU); in West-Australië staat de soort als Priority Four. Niet in CITES. Een klein verspreidingsgebied in een grotendeels ontgonnen landbouwstreek maakt de soort gevoelig voor verstoring. Granietrotsen zijn bovendien populaire recreatieplekken, en betreding, onkruid en verzilting van de omgeving vormen een risico.
Wetenschappelijke naam
Drosera graniticola | Marchant, 1982
Beschreven door Neil G. Marchant op 9 december 1982, in "Flora of Australia", deel 8, p. 383, fig. 31. De precieze typelocatie kon niet worden bevestigd. De soort komt voor ten zuidoosten van Hyden, zuidwestelijk West-Australië, in vochtige habitats op graniet-uitlopers. Van het Latijnse graniticus ("van graniet") en -cola ("bewoner") — "graniet-bewonend", verwijzend naar de habitat op graniet-uitlopers.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.