Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera helodes

Drosera helodes

Een dwergzonnedauw van de kustvlakte rond Perth, en een van de vele soorten die pas in de jaren tachtig en negentig uit de enorme verscheidenheid aan Zuidwest-Australische miniatuurzonnedauwen zijn losgemaakt. De naam helodes komt uit het Grieks en betekent 'van het moeras': de plant staat in laagten die in de winter vol water lopen. Neville Marchant en Allen Lowrie beschreven hem in 1992.

Drosera helodes
Foto: User:Denis Barthel — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera helodes — de bloem
De bloem · Foto: User:Denis Barthel — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine, vezelwortelige, overblijvende rozet die tot ongeveer 8 cm hoog wordt; zoals bij veel dwergzonnedauwen kan de rozet in de loop van de jaren op een kort stengeltje omhoog groeien. In het hart van de rozet zit een pluk glanzende, witachtige steunblaadjes (stipels), het kenmerk van de hele groep van dwergzonnedauwen. De bloemen zijn roze en verschijnen in oktober en november. Nauwkeurige maten van blad en bloem hebben we niet in een geraadpleegde bron gevonden.

Gelijkende soorten

In Zuidwest-Australië staan tientallen dwergzonnedauwen, en veel ervan zijn zonder bloem niet op naam te brengen. Van de oranjebloeiende soorten, zoals Drosera hyperostigma en D. leucoblasta, is D. helodes aan de roze bloemkleur te onderscheiden. Tussen de roze- en witbloeiende soorten zit het verschil vaak in details van stijlen, stempels en de beharing van bloemsteel en kelk; die zijn met een loep te zien. De natte standplaats in de kustvlakte is een aanwijzing, geen bewijs.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op miniatuurschaal. De bladschijfjes dragen gesteelde klieren met een kleverige druppel; de buitenste, langere tentakels vangen de prooi en buigen zich daarna naar het midden van het blad, waar kortere klieren de vertering overnemen. De prooi bestaat uit het allerkleinste: springstaarten, mijten, piepkleine muggen. Voor zo'n klein plantje is elke vangst een wezenlijke bijdrage aan de stikstofvoorziening.

Standplaats en ecologie

Zandige bodems met lateriet in laagten die 's winters nat staan en in de lange, droge zomer uitdrogen (W7, D3, D1). De plant groeit in de natte winter- en voorjaarsmaanden, bloeit in het voorjaar en trekt zich in de zomer terug tot een rustende knop, beschermd door de stipels.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Zuidwest-Australië. FloraBase noemt de soort voor de bioregio Swan Coastal Plain, in de deelgebieden Dandaragan Plateau en Perth: de kustvlakte rond en ten noorden van Perth.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 5 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. Zoals bij bijna alle dwergzonnedauwen vermeerdert de plant zich behalve met zaad ook ongeslachtelijk: aan het eind van het groeiseizoen vormt hij in het hart van de rozet broedknoppen (gemmae), kleine gemodificeerde blaadjes die door opspattende regendruppels worden weggeschoten en tot nieuwe plantjes uitgroeien. Daardoor staan ze vaak in dichte groepjes.

Waar en wanneer te zien

Ga in oktober, wanneer de bloemen open zijn; de bloemen gaan alleen bij zon open, dus kies een heldere dag rond het middaguur. Zoek aan de randen van natte laagten in de kustvlakte en kniel: een rozet van een paar centimeter valt pas op als je er vlak boven hangt. Veel van de resterende natuur in de kustvlakte ligt ingeklemd tussen bebouwing; blijf op de paden.

Staat van instandhouding

Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als niet bedreigd (LC), en ook in West-Australië geldt hij als niet bedreigd. In CITES is hij niet opgenomen. Wel ligt het leefgebied in een van de sterkst verstedelijkte delen van Zuidwest-Australië, waar natte laagten worden ontwaterd en bebouwd. Onzekerheid: de beschikbare bronnen zijn dun; de oorspronkelijke beschrijving en de uitgebreide behandeling in Lowrie's Carnivorous Plants of Australia Magnum Opus (2013) hebben we niet kunnen inzien.

Wetenschappelijke naam

Drosera helodes | Marchant & Lowrie, 1992

Beschreven door N.G. Marchant & Lowrie in 1992, in Kew Bulletin, deel 47, nr. 2, p. 324 (29 juni 1992). Aan de Great Northern Highway, ongeveer 3 km ten noorden van Bullsbrook, centrale landbouwregio van West-Australië. Verzameld door A. Lowrie op 22 november 1983 (veldnr. 83/045); holotype PERTH 4179226. Vermoedelijk van het Griekse helōdēs ("moerassig, van moerassen") — passend bij de habitat van de soort in winter-natte laagtes, al is dit niet letterlijk bevestigd in een bron.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.