Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera intricata
Drosera intricata
Een klimmende knolzonnedauw met gele bloemen. De naam intricata — 'verward, verstrengeld' — beschrijft hoe de dunne, kale stengels zich door de omringende vegetatie slingeren. Jules Émile Planchon beschreef de soort in 1848, in de periode waarin de eerste collecties uit de jonge Swan River-kolonie in Europa werden uitgewerkt.

Herkenning
Een overblijvende plant die elk jaar uit een ondergrondse knol opkomt met een dunne, kale stengel van 25 tot 40 cm, die slingert of zich met de bladeren aan andere planten vasthoudt. Langs de stengel staan kleine vangbladen. De bloeiwijze draagt drie tot twaalf gele bloemen, die in september en oktober opengaan. Gele bloemen zijn onder de klimmende knolzonnedauwen de uitzondering en daardoor een goed veldkenmerk. Precieze blad- en bloemmaten hebben we niet in een geraadpleegde bron gevonden.
Gelijkende soorten
Gele bloemen komen bij de klimmende knolzonnedauwen maar bij een handvol soorten voor. Drosera moorei, eveneens klimmend en geelbloeiend, groeit bij granietkoppen in de binnenlanden tussen Southern Cross en Ravensthorpe, niet in de natte laagten van D. intricata. Vooral de kaalheid van de stengel is een nuttig kenmerk ten opzichte van verwante soorten met een behaarde stengel. Bij twijfel beslist de combinatie van stengelbeharing, bloemkleur en standplaats.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De kleine, schildvormige bladschijfjes dragen tentakels met een kleverige druppel. Doordat de plant zich door struiken en grassen slingert, hangen de vangbladen verspreid door de vegetatie en vangen ze vooral kleine vliegende insecten. De bladeren doen tegelijk dienst als klimorgaan: met de kleverige tentakels haken ze zich aan omringende stengels vast.
Standplaats en ecologie
Klei-zandbodems aan de randen van moerassen en op andere plekken die seizoensgebonden nat zijn (W7, W4), vaak te midden van lage struiken (B5) waar de plant tegenop kan klimmen. Zoals alle knolzonnedauwen groeit hij in de natte winter en overleeft hij de droge zomer als knol.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor Zuidwest-Australië. Een nauwkeurige verspreidingsbeschrijving hebben we niet uit FloraBase kunnen halen; de soort komt verspreid voor in het zuidwesten van de staat.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. De soort hoort bij de sectie Ergaleium, de rechtopstaande en klimmende knolzonnedauwen.
Waar en wanneer te zien
September is de beste maand: de planten staan dan in bloei en de gele bloemen verraden waar in de vegetatie de dunne stengels lopen. Zoek aan de randen van seizoensmoerassen en volg de stengel met de ogen naar beneden in plaats van eraan te trekken; de verbinding met de knol breekt gemakkelijk.
Staat van instandhouding
Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als niet bedreigd (LC). In CITES is hij niet opgenomen. Zoals voor alle soorten van seizoensmoerassen in het zuidwesten vormen ontwatering, ontginning en verandering van het brandregime de belangrijkste risico's. Onzekerheid: de verspreiding binnen Zuidwest-Australië hebben we niet in detail kunnen controleren.
Wetenschappelijke naam
Drosera intricata | Planchon, 1848
Beschreven door Jules Émile Planchon in 1848, in Annales des Sciences Naturelles, Botanique, serie 3, deel 9, p. 293. De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. Van het Latijnse intricatus ("verward, ineengestrengeld") — verwijst naar de kronkelende, ineengestrengelde groeiwijze van de plant.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.