Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera macrophylla

Drosera macrophylla

De grootbladige onder de rozetvormende knolzonnedauwen: macrophylla betekent 'met grote bladeren'. Waar de meeste zonnedauwen van Zuidwest-Australië klein of slank zijn, legt deze soort in de winter een platte rozet van bladeren van enkele centimeters op de grond. John Lindley beschreef hem in 1839, in zijn schets van de vegetatie van de Swan River-kolonie; het is een algemene soort ten oosten van Perth.

Drosera macrophylla
Foto: Margaret Langley — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera macrophylla — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: owheelj — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een overblijvende plant met een ondergrondse knol, waaruit elk jaar een platte rozet tot 12 cm breed groeit. De bladeren zijn ongeveer 4 cm lang en 2 cm breed en liggen plat tegen de grond, op de bovenzijde dicht bezet met tentakels. Uit het hart komen in juni tot oktober een of meer korte bloemstelen met witte bloemen; bloeiend wordt de plant 3 tot 15 cm hoog. De combinatie van grote, brede, platliggende bladeren en witte bloemen dicht boven de rozet maakt de soort in het veld herkenbaar.

Gelijkende soorten

Andere rozetvormende knolzonnedauwen uit de sectie Erythrorhiza lijken erop. Drosera erythrorhiza heeft eveneens grote platte bladeren, maar een hogere bloeiwijze met meer bloemen boven de rozet. D. lowriei en D. zonaria zijn kleiner. De planten uit het gebied rond Bruce Rock en Merredin met één, zelden twee bloemen per steel werden als aparte ondersoort beschreven (zie vormen).

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De bovenzijde van de grote bladeren draagt honderden gesteelde klieren met kleverige druppels, die vooral kruipende en laag vliegende insecten vangen: mieren, springstaarten, kleine kevertjes en vliegjes. De randtentakels buigen naar de prooi toe en het blad scheidt verteringsenzymen af. De plant legt zijn reserves aan in de knol, die elk jaar wordt vernieuwd.

Standplaats en ecologie

Klei-, zand- en leembodems, vaak bij granietkoppen (R3, D1, W7), in open bosland en heide van de westelijke en centrale Wheatbelt. De grond is in de winter vochtig en in de zomer kurkdroog; de plant groeit met de herfstregens, bloeit in de winter en het vroege voorjaar en overleeft de zomer als knol.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Zuidwest-Australië, algemeen ten oosten van Perth, in de Darling Range en de westelijke en centrale Wheatbelt.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 73 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

In 1992 beschreven Allen Lowrie en Sherwin Carlquist D. macrophylla subsp. monantha, met één- of zelden tweebloemige bloeiwijzen, algemeen rond Bruce Rock en Merredin. FloraBase markeert de naam D. macrophylla subsp. macrophylla inmiddels als niet meer geldend, wat erop wijst dat de ondersoortindeling is verlaten en monantha vermoedelijk als eigen soort wordt behandeld. De soort hoort bij de sectie Erythrorhiza.

Waar en wanneer te zien

Juli en augustus zijn ideaal: de rozetten zijn dan volgroeid en de eerste bloemen verschijnen. Zoek bij granietkoppen en in open bosland ten oosten van Perth, op plekken met wat kale grond tussen de vegetatie. De rozetten zijn groot genoeg om staand te zien, vooral als de bladeren in de zon rood kleuren.

Staat van instandhouding

Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als niet bedreigd (LC); in West-Australië geldt hij als niet bedreigd. In CITES is hij niet opgenomen. De soort is algemeen, al is een groot deel van zijn leefgebied in de Wheatbelt ontgonnen voor landbouw. Onzekerheid: de huidige taxonomische status van subsp. monantha hebben we niet in de primaire literatuur kunnen nagaan.

Wetenschappelijke naam

Drosera macrophylla | Lindley, 1839

Beschreven door John Lindley in 1839, in "A Sketch of the Vegetation of the Swan River Colony", p. 20, nr. 91. De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald; gezien de publicatietitel ligt de Swan River-regio, West-Australië, voor de hand. Van het Griekse makros ("groot") en phyllon ("blad") — "grootbladig".

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.