Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera androsacea
Drosera androsacea
Een van de oudere dwergzonnedauwnamen, door Ludwig Diels in 1904 beschreven, in de aanloop naar zijn grote monografie van de familie. De soortnaam verwijst naar Androsace, het geslacht van de mansschilden: de platte, open rozet doet aan die kussen- en rozetplantjes denken. In het Engels heet hij 'cone sundew', naar de kegel van steunblaadjes in het hart van de rozet.

Herkenning
Een meerjarige dwergzonnedauw van hoogstens 5 cm hoog die vlakke, open rozetten vormt: de bladeren liggen plat uitgespreid in plaats van, zoals bij veel verwanten, een dichte knop te vormen. In het midden staat de voor dwergzonnedauwen kenmerkende kegel van zilverachtige, vliezige steunblaadjes. De bloemen zijn rozewit en verschijnen in september en oktober. Voor nauwkeurige maten van de bladeren of bloemen ontbrak een toegankelijke bron; daarom blijven die velden leeg.
Gelijkende soorten
Tussen de vele dwergzonnedauwen van het zuidwesten is de open, platte rozet het eerste houvast; soorten als Drosera dichrosepala vormen compactere, meer halfrechte rozetten. De bloemkleur, rozewit, deelt hij met meerdere soorten, zodat bij twijfel de vorm van de steunblaadjes, de kelkbladen en de stijlen de doorslag moeten geven. Zonder loep is betrouwbare determinatie in deze groep vaak niet mogelijk.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De plat uitgespreide bladeren liggen als kleine vliegenvangers op de grond, precies op de hoogte waarop springstaarten, mijten en mieren zich bewegen. De gesteelde klieren dragen druppels kleefstof; bij aanraking buigen de tentakels zich naar de prooi en scheiden ze verteringsenzymen af. De vangsten zijn klein, maar op arme, steenachtige grond is elke extra bron van stikstof welkom.
Standplaats en ecologie
Steenachtige, zandig-lemige of kleiige grond (FloraBase). De soort groeit in de open begroeiing van heide, struweel en open bos in het zuidwesten (B5, B6), waar de grond in de winter vochtig is. In de zomer, als de bodem uitdroogt, trekt de plant zich terug tot een knop van steunblaadjes.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in het zuidwesten van West-Australië. FloraBase noemt de bioregio's Avon Wheatbelt, Esperance Plains, Jarrah Forest en Mallee: een vrij groot gebied in het binnenland en langs de zuidkust.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. Zoals andere dwergzonnedauwen vormt de soort in de late herfst broedknopjes (gemmae) in het hart van de rozet, die door regendruppels worden weggeslagen en tot nieuwe, genetisch identieke plantjes uitgroeien. Daardoor kunnen plaatselijk dichte groepjes ontstaan.
Waar en wanneer te zien
September en oktober zijn de beste maanden, als de rozetten volgroeid zijn en de rozewitte bloemen openstaan. Kijk in de open plekken tussen struiken, op de kale, steenachtige grond waar weinig concurrentie is. Ga op je hurken zitten en bekijk de grond op ooghoogte: een platte rozet van een paar centimeter valt pas op als je er dichtbij bent.
Staat van instandhouding
Beoordeeld als niet bedreigd (LC) op de IUCN-Rode Lijst (beoordeling 2020) en in West-Australië als 'Not threatened'. Niet in CITES. Het verspreidingsgebied is groot en omvat meerdere bioregio's, wat de soort een zekere buffer geeft tegen plaatselijke ontginning.
Wetenschappelijke naam
Drosera androsacea | Diels, 1904
Beschreven door Ludwig Diels, gepubliceerd op 6 december 1904, in Botanische Jahrbücher für Systematik, deel 35, nr. 2-3, p. 205. De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald. De soort is een dwergzonnedauw uit West-Australië. Vermoedelijk verwijst de naam naar een gelijkenis met het geslacht Androsace (rotsjasmijn, familie Primulaceae), maar dit kon niet met een bron worden bevestigd.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.