Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera lasiantha
Drosera lasiantha
Een dwergzonnedauw van de granietbergen aan de zuidkust van West-Australië, met een van de kleinste arealen in zijn groep. De naam lasiantha betekent 'met behaarde bloem': bloemsteel en kelk zijn bekleed met lange, wollige haren, een kenmerk dat de soort in de hele groep van dwergzonnedauwen herkenbaar maakt. Allen Lowrie en de Amerikaanse plantenanatoom Sherwin Carlquist beschreven hem.



Herkenning
Een kleine rozet van opgerichte bladeren; FloraBase geeft een hoogte tot 2 cm. Oudere planten staan vaak op een stengeltje van oude, afgestorven bladresten, dat enkele centimeters lang kan worden — een groeiwijze die bij verschillende dwergzonnedauwen voorkomt. De bloemen zijn roze en verschijnen in november. Het beslissende kenmerk zit op bloemsteel en kelk: daar staan lange, wollige haren zonder klier, gemengd met korte haren die wel een klier aan de top dragen.
Gelijkende soorten
Drie verwante soorten groeien op dezelfde manier op een stengel van oude bladresten: Drosera gibsonii, D. scorpioides en D. dichrosepala. Ze zijn aan de beharing van de bloemsteel te onderscheiden. D. gibsonii heeft een dichte bekleding van klierharen zonder lange haren; D. scorpioides heeft lange klierharen; D. dichrosepala is vrijwel kaal. Alleen D. lasiantha combineert lange, wollige haren zonder klier met korte klierharen.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval op miniatuurschaal. De kleine bladschijfjes dragen gesteelde klieren met een kleverige druppel; de lange randtentakels vangen de prooi en buigen haar naar het midden van het blad. De vangst bestaat uit springstaarten, mijten en de kleinste vliegjes die over de kale grond tussen de rotsen bewegen.
Standplaats en ecologie
Hellingen met laterietpuin en ondiepe, skeletachtige bodems bovenop graniet (D3, R3), op open plekken tussen lage vegetatie (B5). Het is een koeler en vochtiger milieu dan de binnenlandse lateriet waar veel andere dwergzonnedauwen staan: de granietbergen van de zuidkust vangen wolken en regen.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor het zuiden van West-Australië: de Porongurup Range en het nabijgelegen Mount Lindesay National Park, in de bioregio Jarrah Forest (deelgebied Southern Jarrah Forest). Binnen dat gebied groeit de soort alleen op de laterietpuinhellingen van een paar bergen.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. Zoals de meeste dwergzonnedauwen vormt de plant aan het eind van het groeiseizoen broedknoppen (gemmae) in het hart van de rozet, die door regendruppels worden verspreid en tot nieuwe plantjes uitgroeien.
Waar en wanneer te zien
Ga eind oktober of in november, als de roze bloemen open zijn, en neem een loep mee: de wollige beharing van de bloemsteel is het kenmerk waar het om draait. Blijf op de wandelpaden van de Porongurup Range; laterietpuin schuift gemakkelijk af en de planten groeien juist op die instabiele hellingen.
Staat van instandhouding
Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als kwetsbaar (Vulnerable, VU); in West-Australië staat hij als Priority Two op de lijst van slecht bekende, mogelijk bedreigde flora. In CITES is hij niet opgenomen. Het kleine areaal ligt grotendeels binnen nationale parken, maar juist daardoor kan een enkele gebeurtenis — een te hete of te frequente brand, een uitbraak van de wortelrot Phytophthora in de omringende vegetatie, betreding langs populaire wandelpaden — een groot deel van de populatie treffen.
Wetenschappelijke naam
Drosera lasiantha | Lowrie & Carlquist, 1992
Beschreven door Lowrie & Carlquist in 1992, in Phytologia, deel 73, nr. 2, p. 100 (7 oktober 1992). Alleen "West-Australië" vermeld, zonder preciezere vindplaats. Van het Griekse lasios ("wollig, harig") en anthos ("bloem") — "harigbloemig".
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.