Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera lasiantha

Drosera lasiantha

Een dwergzonnedauw van de granietbergen aan de zuidkust van West-Australië, met een van de kleinste arealen in zijn groep. De naam lasiantha betekent 'met behaarde bloem': bloemsteel en kelk zijn bekleed met lange, wollige haren, een kenmerk dat de soort in de hele groep van dwergzonnedauwen herkenbaar maakt. Allen Lowrie en de Amerikaanse plantenanatoom Sherwin Carlquist beschreven hem.

Drosera lasiantha
Foto: No machine-readable author provided. Denis Barthel assumed (based on copyright claims). — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera lasiantha — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: onbekend in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera lasiantha — de bloem
De bloem · Foto: Michal Rubeš — CC BY 3.0 cz · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine rozet van opgerichte bladeren; FloraBase geeft een hoogte tot 2 cm. Oudere planten staan vaak op een stengeltje van oude, afgestorven bladresten, dat enkele centimeters lang kan worden — een groeiwijze die bij verschillende dwergzonnedauwen voorkomt. De bloemen zijn roze en verschijnen in november. Het beslissende kenmerk zit op bloemsteel en kelk: daar staan lange, wollige haren zonder klier, gemengd met korte haren die wel een klier aan de top dragen.

Gelijkende soorten

Drie verwante soorten groeien op dezelfde manier op een stengel van oude bladresten: Drosera gibsonii, D. scorpioides en D. dichrosepala. Ze zijn aan de beharing van de bloemsteel te onderscheiden. D. gibsonii heeft een dichte bekleding van klierharen zonder lange haren; D. scorpioides heeft lange klierharen; D. dichrosepala is vrijwel kaal. Alleen D. lasiantha combineert lange, wollige haren zonder klier met korte klierharen.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op miniatuurschaal. De kleine bladschijfjes dragen gesteelde klieren met een kleverige druppel; de lange randtentakels vangen de prooi en buigen haar naar het midden van het blad. De vangst bestaat uit springstaarten, mijten en de kleinste vliegjes die over de kale grond tussen de rotsen bewegen.

Standplaats en ecologie

Hellingen met laterietpuin en ondiepe, skeletachtige bodems bovenop graniet (D3, R3), op open plekken tussen lage vegetatie (B5). Het is een koeler en vochtiger milieu dan de binnenlandse lateriet waar veel andere dwergzonnedauwen staan: de granietbergen van de zuidkust vangen wolken en regen.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor het zuiden van West-Australië: de Porongurup Range en het nabijgelegen Mount Lindesay National Park, in de bioregio Jarrah Forest (deelgebied Southern Jarrah Forest). Binnen dat gebied groeit de soort alleen op de laterietpuinhellingen van een paar bergen.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. Zoals de meeste dwergzonnedauwen vormt de plant aan het eind van het groeiseizoen broedknoppen (gemmae) in het hart van de rozet, die door regendruppels worden verspreid en tot nieuwe plantjes uitgroeien.

Waar en wanneer te zien

Ga eind oktober of in november, als de roze bloemen open zijn, en neem een loep mee: de wollige beharing van de bloemsteel is het kenmerk waar het om draait. Blijf op de wandelpaden van de Porongurup Range; laterietpuin schuift gemakkelijk af en de planten groeien juist op die instabiele hellingen.

Staat van instandhouding

Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als kwetsbaar (Vulnerable, VU); in West-Australië staat hij als Priority Two op de lijst van slecht bekende, mogelijk bedreigde flora. In CITES is hij niet opgenomen. Het kleine areaal ligt grotendeels binnen nationale parken, maar juist daardoor kan een enkele gebeurtenis — een te hete of te frequente brand, een uitbraak van de wortelrot Phytophthora in de omringende vegetatie, betreding langs populaire wandelpaden — een groot deel van de populatie treffen.

Wetenschappelijke naam

Drosera lasiantha | Lowrie & Carlquist, 1992

Beschreven door Lowrie & Carlquist in 1992, in Phytologia, deel 73, nr. 2, p. 100 (7 oktober 1992). Alleen "West-Australië" vermeld, zonder preciezere vindplaats. Van het Griekse lasios ("wollig, harig") en anthos ("bloem") — "harigbloemig".

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.