Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera moorei

Drosera moorei

Een geelbloeiende, klimmende knolzonnedauw van de granietkoppen in het droge binnenland van Zuidwest-Australië. De soortnaam eert Spencer Le Marchant Moore, botanicus van het British Museum die zelf in West-Australië verzamelde. De naam heeft een lange weg afgelegd: van variëteit via ondersoort naar zelfstandige soort.

Drosera moorei
Foto: Thomas Mesaglio — CC BY 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een overblijvende plant die elk jaar uit een ondergrondse knol een kale, slingerende of klimmende stengel van 12 tot 35 cm maakt. Langs de stengel staan kleine, ronde, schildvormige vangbladen op steeltjes. De bloeiwijze draagt twee tot tien gele bloemen, die in september en oktober opengaan. Een kale stengel met gele bloemen, bij granietkoppen in het binnenland, is een goede combinatie van veldkenmerken. Precieze blad- en bloemmaten hebben we niet in een geraadpleegde bron gevonden.

Gelijkende soorten

Drosera moorei werd lang als variëteit en later als ondersoort van D. subhirtella gezien, een eveneens geelbloeiende klimmende knolzonnedauw; de kale stengel onderscheidt hem van die en andere verwanten met een behaarde stengel. D. intricata, ook kaal en geelbloeiend, groeit in natte laagten dichter bij de kust. Standplaats en verspreiding helpen dus bij de determinatie.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De ronde bladschijfjes dragen randtentakels met kleverige druppels, die kleine vliegende insecten vangen. Na een vangst buigen de tentakels naar het midden van het blad en worden verteringsenzymen afgescheiden. De kleverige bladeren helpen de stengel tegelijk om zich aan omringende planten vast te houden.

Standplaats en ecologie

Zandige leem bij granietkoppen (R3, D1), vaak tussen struiken en lage vegetatie (B5) waar de stengel steun vindt. De randen van granietkoppen ontvangen extra water dat van de rots afstroomt, en zijn daardoor in het droge binnenland juist de plekken waar knolzonnedauwen kunnen groeien. De zomer overleeft de plant als knol.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Zuidwest-Australië, in het binnenland tussen Southern Cross en Ravensthorpe: de oostelijke Wheatbelt en het overgangsgebied naar de droge Goldfields.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 25 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Ludwig Diels beschreef de plant in 1906 als variëteit van D. subhirtella. Neville Marchant maakte er in 1982 een ondersoort van, en Allen Lowrie verhief hem in 1999 tot soort. Er worden geen ondersoorten of variëteiten van D. moorei zelf onderscheiden. De soort hoort bij de sectie Ergaleium.

Waar en wanneer te zien

Ga in september naar granietkoppen in de oostelijke Wheatbelt, zoals er vele langs de weg van Southern Cross naar het zuiden liggen. Zoek aan de rand van de rots, waar de struiken beginnen: de gele bloemen verraden de plant. De granietkoppen zijn vaak de enige overgebleven natuur in een landschap van akkers; betreed ze met zorg.

Staat van instandhouding

Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als niet bedreigd (LC). In CITES is hij niet opgenomen. Granietkoppen in de Wheatbelt worden bedreigd door begrazing, onkruid en verzilting van het omringende landschap, maar veel ervan zijn als natuurreservaat beschermd.

Wetenschappelijke naam

Drosera moorei | (Diels) Lowrie, 1999

De naam werd oorspronkelijk gepubliceerd als Drosera subhirtella var. moorei door Ludwig Diels, in zijn monografie van de Droseraceae uit 1906 (in Engler's Das Pflanzenreich). Allen Lowrie verhief het taxon tot soortniveau als Drosera moorei (Diels) Lowrie, in Nuytsia, deel 13(1), p. 80 (1999). Er kon geen betrouwbaar type-specimen met verzamelgegevens (locatie, verzamelaar, datum) worden teruggevonden; een precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald. De naam eert Spencer Le Marchant Moore (1850–1931), Brits botanicus verbonden aan de Department of Botany van het British Museum, die in West-Australië plantencollecties bijeenbracht. Het is dus een eponiem.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.