Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera myriantha

Drosera myriantha

Een rechtopstaande knolzonnedauw van de moerassen langs de zuidwestkust, met een naam die veel belooft: myriantha betekent 'met talloze bloemen'. Jules Émile Planchon beschreef de soort in 1848. Met zijn bloei van oktober tot in december is het een van de laatbloeiers onder de knolzonnedauwen.

Drosera myriantha
Foto: Em Lamond — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera myriantha — de bloem
De bloem · Foto: Em Lamond — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera myriantha — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Em Lamond — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera myriantha — de standplaats
De standplaats · Foto: Em Lamond — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een overblijvende plant die elk jaar uit een ondergrondse knol een rechte stengel van 15 tot 35 cm maakt, met kleine vangbladen langs de stengel. De bloeiwijze draagt, zoals de naam zegt, veel bloemen, wit of roze, die van oktober tot december opengaan. De late bloei in natte, venige laagten is het beste veldkenmerk. Precieze blad- en bloemmaten hebben we niet in een geraadpleegde bron gevonden.

Gelijkende soorten

Andere rechtopstaande knolzonnedauwen van natte laagten, zoals Drosera huegelii en D. heterophylla, bloeien in de winter, van juni tot september, en zijn daardoor in het late voorjaar meestal al uitgebloeid. D. heterophylla heeft bovendien een veelbladige bloem. De combinatie van een veelbloemige bloeiwijze en de late bloeitijd maakt D. myriantha herkenbaar.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De bladeren langs de stengel dragen gesteelde klieren met een kleverige druppel, die kleine vliegende insecten vangen. Na een vangst buigen de tentakels naar het midden van het blad en worden verteringsenzymen afgescheiden. In de venige moerassen, waar stikstof schaars is, levert dat een welkome aanvulling.

Standplaats en ecologie

Moerassige plekken met venig zand (W4, W7, D1), in de kustvlakte en de natte laagten langs de zuidwestkust. Doordat deze moerassen langer nat blijven dan de omringende zandvlakten, kan de plant laat in het voorjaar nog bloeien. Na de bloei sterft hij bovengronds af en overleeft hij de zomer als knol.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Zuidwest-Australië, langs de kust ten zuiden van Perth tot Albany.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 7 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. De soort hoort bij de sectie Ergaleium, de rechtopstaande en klimmende knolzonnedauwen.

Waar en wanneer te zien

Ga eind oktober of in november, wanneer de meeste andere knolzonnedauwen al verdwenen zijn, naar de randen van venige moerassen in de kuststrook tussen Perth en Albany. De veelbloemige witte of roze trossen steken dan boven de biezen en lage struiken uit. Reken op natte voeten.

Staat van instandhouding

Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als niet bedreigd (LC). In CITES is hij niet opgenomen. De kustmoerassen van het zuidwesten zijn in de afgelopen anderhalve eeuw grotendeels ontwaterd voor landbouw en bebouwing, en de afnemende winterregen verkort de natte periode; de soort is daardoor afhankelijk van de resterende, vaak beschermde moerassen. Onzekerheid: de verspreiding hebben we niet in FloraBase kunnen controleren.

Wetenschappelijke naam

Drosera myriantha | Planchon, 1848

Drosera myriantha werd in 1848 beschreven door de Franse botanicus Jules Émile Planchon, in Annales des Sciences Naturelles, Botanique, 3e serie, deel 9, p. 291. De soort komt van nature voor langs de kust van Zuidwest-Australië, tussen Perth en Albany. De precieze typevindplaats, verzamelaar en verzameldatum van het door Planchon gebruikte materiaal (mogelijk verzameld door James Drummond, zoals bij verscheidene andere West-Australische soorten uit dezelfde publicatie) konden niet met zekerheid worden achterhaald. De naam is beschrijvend en Grieks van oorsprong: "myrias/myrios" (ontelbaar, talrijk) en "anthos" (bloem), samen "veelbloemig". De naam verwijst naar het grote aantal bloemen dat deze soort per bloeiwijze produceert.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.