Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera kaieteurensis
Drosera kaieteurensis
Een van de kleinste zonnedauwen van Amerika, genoemd naar de Kaieteur-waterval in Guyana, waar het water van de Potaro over een zandsteenrand ruim 200 meter naar beneden stort. Op de open savanne boven die waterval, in de nevel van het vallende water, groeien de piepkleine rode rozetten van Drosera kaieteurensis. De rozet is kleiner dan een vingernagel; de bloeistengels zijn vaak groter dan de plant zelf.



Herkenning
Een meerjarige rozet van slechts 6 tot 8 mm doorsnee. De bladschijven zijn rond tot ovaal, 2 tot 3 mm lang en 2 tot 2,5 mm breed, overwegend rood en dicht bezet met klierharen die elk een druppel kleverig slijm dragen. De plant maakt één tot drie bloeiwijzen van 13 tot 60 mm lang met twee tot negen witte of roze bloemen. De vruchten zijn doosvruchten die in de lengte openspringen; de zaden worden eruit geslingerd wanneer er regendruppels op vallen.
Gelijkende soorten
De nauw verwante Drosera felix is in vorm en grootte vrijwel gelijk; volgens sommige bronnen is die naam een synoniem van D. kaieteurensis, andere houden beide gescheiden. Drosera solaris uit het Guyanese hoogland is groter, met fel rode rozetten, en wordt als naaste verwant van beide beschouwd. Van andere Guyana-zonnedauwen zoals Drosera roraimae of Drosera biflora verschilt ze door de minuscule, bijna ronde bladeren zonder duidelijke bladsteel.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval in miniatuur. De felrode kleur en de glinsterende druppels trekken kleine insecten aan, die aan het slijm blijven plakken; de klierharen buigen naar de prooi en scheiden verteringsenzymen af. De opgeloste stikstofverbindingen vullen het tekort aan in de extreem arme, zure bodem. De prooi bestaat uit springstaarten, mijten en de kleinste vliegjes.
Standplaats en ecologie
Zandige, uiterst arme bodems en met mos begroeide rotsen in open savannes en op tepui-hellingen, van 460 tot 2400 m (B6, R1, W4). Rond Kaieteur staat de plant op natte, open plekken in de savanne op het zandsteenplateau, waar de nevel van de waterval en de hoge regenval de grond permanent vochtig houden.
Verspreiding en hoogte
Het tepuigebied langs de grens van Guyana en Venezuela, met Kaieteur als typevindplaats. Een mogelijk voorkomen op Trinidad is niet bevestigd. Het grote hoogtebereik weerspiegelt dat de soort zowel op de lage savanne van Kaieteur als hoog op de tafelbergen groeit.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten erkend. De taxonomische verhouding met D. felix is de belangrijkste open vraag. Deze gids behandelt beide namen voorlopig apart, maar het is goed mogelijk dat een toekomstige revisie ze samenvoegt.
Waar en wanneer te zien
Het Kaieteur National Park is per klein vliegtuig vanuit Georgetown te bereiken en een van de weinige plekken waar een bezoeker een Guyana-zonnedauw kan zien zonder expeditie. Zoek langs de paden op de natte, open zandplekken en tussen het mos op de rotsen, met een loep; de rozetten zijn nauwelijks groter dan een erwt. Blijf op de paden: de savanne is kwetsbaar.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet opgenomen in CITES. De bekendste groeiplaats ligt in een nationaal park, en veel andere op afgelegen tepuis. Goudwinning in de stroomgebieden rond Kaieteur en toenemend toerisme zijn lokale risico's; over populatiegrootte en trends is weinig bekend.
Wetenschappelijke naam
Drosera kaieteurensis | Brummer-Dinger, 1955
Beschreven door Brummer-Dinger in 1955, in Acta Botanica Neerlandica, deel 4, p. 137. Niet rechtstreeks uit de oorspronkelijke beschrijving bevestigd. De soort komt voor op de tepui-plateaus van het grensgebied Guyana-Venezuela, op 460-2400 m hoogte, op zandgrond of mosbegroeide rotsen. De naam wijst sterk op een verband met de Kaieteur-watervallen in Guyana, maar dit is niet letterlijk als typelocatie bevestigd. Van het achtervoegsel -ensis ("afkomstig uit") — "van/uit Kaieteur" (de Kaieteur-watervallen/regio in Guyana).
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.