Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera pilosa

Drosera pilosa

Een behaarde zonnedauw van de tropische hooglanden. Drosera pilosa werd in 1956 door Exell en Laundon beschreven in hun herziening van de Afrikaanse zonnedauwen. De naam — 'behaard' — verwijst naar de beharing van de plant, die hem onderscheidt van de meeste verwanten.

Drosera pilosa
Foto: andreaudzungwa — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een zonnedauw met beklierde vangbladeren en een opvallend behaarde bloeistengel en bladonderzijde. Gedetailleerde, betrouwbare maten uit een flora waren voor deze tekst niet beschikbaar; de maatvelden blijven leeg.

Gelijkende soorten

In Oost-Afrika komen ook D. madagascariensis en D. burkeana voor. De eerste vormt een lange stengel met verspreide bladeren; de tweede is een kleine rozet met ronde bladschijven en zonder de opvallende beharing.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval: gesteelde klieren met kleverige druppels houden kleine insecten vast, waarna de tentakels naar de prooi buigen en de klieren verteringsenzymen afscheiden.

Standplaats en ecologie

Natte, open plekken in de bergen: moerassen, drassige graslanden, sijpelzones en venige plekken in de hooglanden (W4, W7, W1). Specifieke standplaatsgegevens zijn schaars.

Verspreiding en hoogte

Tropisch Afrika: opgegeven uit Guinee en Kameroen in het westen en Kenia en Tanzania in het oosten, vooral in de hooglanden. Dat wijkt sterk af van de aanduiding 'Kaap, Zuid-Afrika' in de werklijst van deze gids: uit de Kaap is de soort niet bekend. Hoogtegrenzen zijn niet gevonden.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 9 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten onderscheiden. Het gescheiden voorkomen in West- en Oost-Afrika is opvallend; of alle populaties werkelijk tot één soort behoren, zou nader onderzocht moeten worden.

Waar en wanneer te zien

Zoek in de regentijd in natte graslanden en moerassen in de Oost-Afrikaanse bergen. Let op de beharing van stengel en blad; een loep is nuttig.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als Least Concern (niet bedreigd) beoordeeld; niet in CITES. Plaatselijk verdwijnen moerassen in de hooglanden door drooglegging voor landbouw en door begrazing.

Wetenschappelijke naam

Drosera pilosa | Exell & Laundon, 1956

Drosera pilosa werd in 1956 beschreven door Arthur Wallis Exell en John Raymond Laundon, in het tijdschrift Boletim da Sociedade Broteriana, tweede reeks, deel 30, pagina 213. De soort komt voor in bergstreken van tropisch Afrika (onder meer Angola, Kameroen, Congo-Kinshasa, Guinee, Kenia, Malawi, Rwanda, Sierra Leone, Tanzania en Burundi); in welk van deze landen precies het typemateriaal werd verzameld, door wie en wanneer, kon niet met zekerheid worden achterhaald. Het epitheton pilosa is beschrijvend Latijn voor "behaard" en verwijst naar de opvallend behaarde bloemstengels, bloemsteeltjes en kelkbladen die deze soort onderscheiden van de sterk gelijkende Drosera burkeana.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.