Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera platypoda

Drosera platypoda

Een zonnedauw met waaiervormige bladeren uit het uiterste zuidwesten van Australië, en een van de tien soorten van de kleine sectie Stolonifera. Drosera platypoda — 'de breedvoetige' — overleeft de droge zomer als knol onder de grond en verschijnt na de eerste winterregens met een rozetje aan de grond en daarboven een rechtopstaande stengel met verspreide vangbladeren.

Drosera platypoda
Foto: Jan Wieneke in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera platypoda — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Jan Wieneke — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera platypoda — de bloem
De bloem · Foto: Denis Barthel — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een rechtopstaande, meerjarige knolplant van 15 tot 20 cm hoog. Aan de voet staat een rozet van bladeren; langs de stengel staan verspreid (afwisselend) nog meer bladeren. Kenmerkend voor de sectie zijn de waaiervormige bladschijven, die van een smalle voet naar een brede bovenrand uitwaaieren, met tentakels langs die rand. De bloemen zijn wit en verschijnen van augustus tot november, met een piek rond oktober. Nauwkeurige maten van bladschijf en bloem zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd.

Gelijkende soorten

De verwarring ligt binnen sectie Stolonifera. Drosera stolonifera maakt twee tot drie schuin opstijgende zijstengels vanuit de voet, in plaats van één stengel met een rozet; D. ramellosa heeft één tot drie lagere stengels van 4 tot 12 cm en bloeiwijzen die vanuit de rozet vertrekken; D. prostrata en D. rupicola hebben respectievelijk liggende en half opgerichte zijstengels. Combineer daarom de bouw — rozet plus rechte stengel met verspreide bladeren — met het areaal: D. platypoda is de soort van het zuidwesten tussen Manjimup, de Scott River en Cape Riche.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval met een eigen bladvorm. De bladeren zijn waaiervormig: een smalle voet die zich verbreedt tot een schijf waarvan de bovenrand bezet is met lange tentakels, soms in drie- of meertallige kransen langs de stengel. Kleine insecten die tegen die rand aanlopen of erop landen blijven aan de druppels kleven, waarna de tentakels zich over de prooi buigen en de klieren enzymen afscheiden. De opgenomen stikstof en fosfor gaan, zoals bij alle knoldragende zonnedauwen, voor een groot deel naar de knol die de plant door de zomer moet dragen.

Standplaats en ecologie

Winternatte zandbodems in heide: zand, zandige klei en soms grindhoudende grond op vochtige plekken (W7, B5, D1). Het water staat hier in de winter tot aan of boven het maaiveld; in de zomer drogen de bodems volledig uit en trekt de plant zich terug in zijn knol.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor het zuidwesten van West-Australië: van de omgeving van Manjimup zuidwestwaarts tot het gebied rond de Scott River, en oostwaarts tot Cape Riche. FloraBase plaatst hem in de biogeografische regio's Avon Wheatbelt, Esperance Plains, Jarrah Forest, Mallee en Warren. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 21 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

De soort werd in 1854 beschreven door Nikolai Turczaninow; Drosera flabellata Benth. geldt als synoniem. Hij wordt geplaatst in ondergeslacht Ergaleium, sectie Stolonifera, samen met D. stolonifera, D. ramellosa, D. prostrata, D. rupicola en vijf andere soorten. Binnen D. platypoda worden geen ondersoorten onderscheiden.

Waar en wanneer te zien

Ga in september–oktober, wanneer de stengels volgroeid zijn en de witte bloemen open staan; zonnige ochtenden na een nat weekje zijn ideaal, omdat de tentakels dan vol druppels staan. Zoek in natte, open heide en in laagten waar in de winter water heeft gestaan. De groeiplaatsen zijn in het voorjaar drassig; blijf op de paden en laat de knollen in de grond.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES, en in FloraBase aangeduid als niet bedreigd. De soort komt verspreid voor in het zuidwesten, deels in bosgebieden en reservaten. Ontwatering, ontginning en een veranderd brandregime zijn de algemene bedreigingen van winternatte heide in deze streek.

Wetenschappelijke naam

Drosera platypoda | Turczaninow, 1854

Drosera platypoda werd in 1854 beschreven door de Russische botanicus Nikolai Stepanovitsj Turczaninow, in het Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou, deel 27, pagina 343. De soort is endemisch in het zuidwesten van West-Australië, in een gebied dat zich uitstrekt van Manjimup tot in de omgeving van de Scott River en oostwaarts tot Cape Riche, waar ze groeit op winterse, natte zandbodems in heidevegetatie; de precieze typelocatie, verzamelaar en verzameldatum konden niet met zekerheid worden achterhaald. Het epitheton platypoda is beschrijvend en is afgeleid van het Grieks platys ("breed, plat") en pous/podos ("voet"), en verwijst naar het "platvoetige" uiterlijk van de basale bladrozet van deze soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.