Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera praefolia
Drosera praefolia
Een knoldragende rozetzonnedauw met een omgekeerd levensritme: hij bloeit eerst en maakt pas daarna zijn bladeren. Drosera praefolia is daarmee een van de weinige zonnedauwen die in de herfst op kale grond in bloei staan. Anders dan de gebiedsaanduiding in deze reeks doet vermoeden, is het géén plant van Zuidwest-Australië maar van Zuid-Australië, op het Fleurieu-schiereiland en Kangaroo Island.

Herkenning
Een platte rozet van 4 tot 6 cm breed, met groene, soms rode, eironde tot omgekeerd eironde bladeren die tegen de grond liggen. Het kenmerk waaraan de soort haar naam ontleent — praefolia, 'vóór het blad' — is de volgorde: de bloemen verschijnen in april en mei, en pas als de bloei voorbij is, lopen de bladeren uit. Onder de grond zit een witte knol. De bloemkleur en nauwkeurige maten van blad en bloem zijn in de geraadpleegde bronnen niet vermeld; die velden blijven leeg.
Gelijkende soorten
De enige serieuze verwarring is met Drosera whittakeri, waartoe D. praefolia lang als variëteit of ondersoort werd gerekend. Drie verschillen maken het onderscheid: bij D. praefolia verschijnen de bladeren na de bloei (bij D. whittakeri ervoor of gelijktijdig), de bladeren zijn eirond tot omgekeerd eirond, en de knol is wit, terwijl die van D. whittakeri oranje is. Dat laatste kenmerk is in het veld niet te gebruiken zonder de plant te beschadigen, en dat hoort men niet te doen.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval, dicht tegen de grond. De bladeren van de rozet liggen plat op de bodem en dragen op de bovenzijde en langs de rand gesteelde klieren met een kleverige druppel. Wat over de grond kruipt of er even landt — mieren, springstaarten, kleine kevers en muggen — raakt verstrikt, waarna de tentakels langzaam naar binnen buigen en de klieren verteringsenzymen afscheiden. Stikstof, fosfor en mineralen uit de prooi worden via hetzelfde bladoppervlak opgenomen. Omdat de plant maar een paar maanden per jaar blad heeft, is dat voedsel direct bestemd voor de knol, die de volgende droge zomer moet overbruggen.
Standplaats en ecologie
Lateritische kleizanden, leem en verweerde schalie in open bosland (B6, D3). Het gaat om goed doorlatende, voedselarme bodems die in de winter vochtig blijven en in de zomer uitdrogen, onder een open kroondak van eucalyptus.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor Zuid-Australië: van het zuiden van het Fleurieu-schiereiland zuidwaarts tot Kangaroo Island. De soort komt dus niet in West-Australië voor; de aanduiding 'Zuidwest-Australië' in de werklijst van deze gids klopt voor deze soort niet. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.
- Inheems
Vormen en variatie
Johann Gottlieb Otto Tepper beschreef de soort in 1892. De rang ervan was lang omstreden: Raymond Hamet (1907), John McConnell Black (1924) en Allen Lowrie (1989) plaatsten haar achtereenvolgens als lagere eenheid onder D. whittakeri. In 2008 herstelden Lowrie en John Conran haar als soort, op grond van de witte knol, de bladvorm en het tijdstip van bladvorming. Dat oordeel wordt hier gevolgd; wie een oudere flora gebruikt, vindt de plant daar onder D. whittakeri.
Waar en wanneer te zien
Het bijzondere moment is april en mei, het begin van het Zuid-Australische natte seizoen, wanneer de bloemen boven kale grond verschijnen voordat er een blad te zien is. Wie later komt, in de winter, ziet rozetten die op het oog weinig van D. whittakeri verschillen. Laat de knol met rust: het enige harde onderscheidende kenmerk is ondergronds, maar opgraven doodt de plant.
Staat van instandhouding
Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES. De soort heeft een beperkt areaal, maar de geraadpleegde bronnen noemen geen specifieke bedreiging. Het Fleurieu-schiereiland en Kangaroo Island hebben veel natuurlijke begroeiing verloren aan landbouw, en op Kangaroo Island heeft de grote brand van 2019–2020 veel open bosland getroffen; hoe deze soort daarop heeft gereageerd, is in de geraadpleegde bronnen niet vastgelegd.
Wetenschappelijke naam
Drosera praefolia | Tepper, 1892
Drosera praefolia werd in 1892 beschreven door de Duits-Australische natuuronderzoeker Johann Gottlieb Otto Tepper, in het tijdschrift Botanisches Centralblatt, deel 50, pagina 353; Tepper had het materiaal en een beschrijving al in 1882 naar Ferdinand von Mueller gestuurd, maar diens naam werd nooit geldig gepubliceerd. Het typemateriaal werd door Tepper zelf verzameld op het Fleurieu-schiereiland in Zuid-Australië; de soort komt van nature voor van het zuiden van dit schiereiland tot aan Kangaroo Island. De precieze verzameldatum kon niet met zekerheid worden achterhaald, maar moet vóór 1892 liggen. Het epitheton praefolia lijkt te zijn samengesteld uit het Latijn prae ("voor, vóór") en folium ("blad"), maar de precieze bedoeling van Tepper met deze naam kon in de geraadpleegde bronnen niet met zekerheid worden achterhaald.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.