Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera prostratoscaposa

Drosera prostratoscaposa

Een knoldragende rozetzonnedauw die pas in 1989 werd ontdekt, in het Fitzgerald River National Park aan de zuidkust van West-Australië. Drosera prostratoscaposa — de naam betekent zoiets als 'met liggende bloemstengel' — valt op door iets wat bij zijn naaste verwanten ontbreekt: meerdere bloemen per stengel die naar jasmijn geuren.

Drosera prostratoscaposa
Foto: skylark_ — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een platte rozet van ongeveer 8 cm breed, die in het natte seizoen uit een ondergrondse knol verschijnt. De bladeren zijn gesteeld: een duidelijk smallere steel draagt een bredere, beklierde schijf, wat volgens de beschrijving een van de kenmerken is die de soort van haar naaste verwanten scheidt. De bloemstengels liggen of buigen naar de grond — vandaar de naam — en dragen elk meerdere bloemen met een jasmijnachtige geur. Bloemkleur, bloeitijd en nauwkeurige maten van blad en bloem zijn in de geraadpleegde bronnen niet vermeld; die velden blijven leeg.

Gelijkende soorten

De naaste verwanten zijn Drosera macrophylla en D. bulbosa, eveneens knoldragende rozetplanten van Zuidwest-Australië. Het verschil zit volgens de beschrijving in twee kenmerken: D. prostratoscaposa heeft duidelijk gesteelde bladeren, en draagt meerdere geurende bloemen per stengel. Hoe de verwanten zich op deze punten precies verhouden, is in de geraadpleegde samenvatting niet uitgewerkt. Het kleine areaal in de Fitzgerald River-streek helpt bij de determinatie.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval, dicht tegen de grond. De bladeren van de rozet liggen plat op de bodem en dragen op de bovenzijde en langs de rand gesteelde klieren met een kleverige druppel. Wat over de grond kruipt of er even landt — mieren, springstaarten, kleine kevers en muggen — raakt verstrikt, waarna de tentakels langzaam naar binnen buigen en de klieren verteringsenzymen afscheiden. Stikstof, fosfor en mineralen uit de prooi worden via hetzelfde bladoppervlak opgenomen. Omdat de plant maar een paar maanden per jaar blad heeft, is dat voedsel direct bestemd voor de knol, die de volgende droge zomer moet overbruggen.

Standplaats en ecologie

Fijn, zwart zand (D1) — dat wil zeggen zand met veel organisch materiaal — in de heide en het struweel van de zuidkust (B5). Nadere gegevens over de standplaats, zoals de mate van winterse vernatting, zijn in de geraadpleegde bronnen niet uitgewerkt.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor West-Australië en alleen bekend uit een klein gebied binnen het Fitzgerald River National Park, ongeveer 40 km ten zuidoosten van de South Coast Highway tussen Albany en Esperance. Het park is een van de rijkste plantengebieden van Australië. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

De plant werd in 1989 ontdekt door Phill Mann en in 1990 formeel beschreven door Allen Lowrie en Sherwin Carlquist. Er worden geen ondersoorten of variëteiten onderscheiden. De soort hoort bij de knoldragende rozetzonnedauwen van ondergeslacht Ergaleium.

Waar en wanneer te zien

Het Fitzgerald River National Park is groot, ruig en deels alleen met een terreinwagen toegankelijk; bepaalde delen zijn bovendien afgesloten om de verspreiding van de wortelrotschimmel Phytophthora tegen te gaan. Respecteer die afsluitingen en maak schoenen en banden schoon voor je een gebied betreedt. Wie de plant wil zien, doet dat best in het natte seizoen, samen met iemand die de groeiplaats kent — het areaal is klein en de rozetten vallen in donker zand weinig op.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES. Het hele bekende areaal ligt binnen een nationaal park, wat het grootste deel van de ontginningsdruk wegneemt. Het kleine verspreidingsgebied maakt de soort wel gevoelig voor lokale gebeurtenissen zoals brand op het verkeerde moment of de verspreiding van wortelrot.

Wetenschappelijke naam

Drosera prostratoscaposa | Lowrie & Carlquist, 1990

Drosera prostratoscaposa werd in 1990 beschreven door Allen Lowrie en Sherwin Carlquist, in het tijdschrift Phytologia, deel 69(3), pagina's 160–162. De soort werd in 1989 ontdekt door Phill Mann. Het typeexemplaar werd op 23 april 1990 verzameld door Allen Lowrie, nabij een zijstroompje van de Hamersley River waar dit de Hamersley Drive kruist, circa 40 km ten zuidoosten van de South Coast Highway, in Fitzgerald River National Park, West-Australië. Het exemplaar wordt bewaard in het herbarium PERTH (nummer PERTH 1751247). Het epitheton prostratoscaposa is een samengestelde Latijnse naam uit prostratus ("liggend, plat uitgespreid") en scaposa ("met een bloeistengel/schacht"), en verwijst vermoedelijk naar de liggende bloeistengels van de plant. Deze uitleg is gebaseerd op de Latijnse samenstelling en kon niet in een aparte etymologische bron worden bevestigd.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.