Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera rosulata

Drosera rosulata

Een platte rozetzonnedauw met een ondergrondse knol, die in de Australische herfst bloeit — lang voordat de meeste andere zonnedauwen van het zuidwesten boven de grond verschijnen. Drosera rosulata hoort bij de groep rond D. erythrorhiza, de 'roodwortelige' zonnedauwen, en staat aan de randen van moerassen.

Drosera rosulata
Foto: Caro Telfer — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een platte, tegen de grond gedrukte rozet van ongeveer 7 cm breed, die elk natte seizoen opnieuw uit een knol verschijnt. De bladeren liggen plat op de bodem en dragen op de bovenzijde de tentakels. De bloemen zijn wit en staan van april tot juni boven de rozet. Nauwkeurige maten van blad en bloem en details van de bloeiwijze zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd.

Gelijkende soorten

De naaste verwanten zijn de andere soorten van sectie Erythrorhiza, zoals Drosera erythrorhiza en D. zonaria. D. zonaria heeft niervormige bladeren met karmijnrode randen in concentrische lagen en bloeit vrijwel alleen na brand. Hoe D. erythrorhiza zich in het veld precies onderscheidt, is in de geraadpleegde bronnen niet uitgewerkt. De bloei in de herfst en de standplaats aan moerasranden zijn voor D. rosulata goede aanwijzingen, maar zekere determinatie vraagt aandacht voor bladvorm en bloeiwijze.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval, dicht tegen de grond. De bladeren van de rozet liggen plat op de bodem en dragen op de bovenzijde en langs de rand gesteelde klieren met een kleverige druppel. Wat over de grond kruipt of er even landt — mieren, springstaarten, kleine kevers en muggen — raakt verstrikt, waarna de tentakels langzaam naar binnen buigen en de klieren verteringsenzymen afscheiden. Stikstof, fosfor en mineralen uit de prooi worden via hetzelfde bladoppervlak opgenomen. Omdat de plant maar een paar maanden per jaar blad heeft, is dat voedsel direct bestemd voor de knol, die de volgende droge zomer moet overbruggen.

Standplaats en ecologie

Zandige of kleiige bodems aan de randen van moerassen (W7, W4). Die randen zijn in de winter verzadigd en drogen in de zomer uit; de plant overleeft die droge periode als knol diep in de grond.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor het zuidwesten van West-Australië. Een nadere begrenzing van het areaal is in de geraadpleegde bronnen niet gegeven. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 73 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Johann Georg Christian Lehmann beschreef de soort in 1844. Als synoniemen gelden onder meer Sondera rosulata en een later gebruikte naam Drosera rosulata Behr. De soort wordt geplaatst in ondergeslacht Ergaleium, sectie Erythrorhiza. Er worden geen ondersoorten onderscheiden.

Waar en wanneer te zien

De bloeitijd — april tot juni — is vroeg: net na de eerste herfstregens. Wie in de lente komt, ziet alleen de rozetten. Zoek aan de randen van moerassen, op de zone tussen open water en droge heide. Knollen niet uitgraven.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES. De geraadpleegde bronnen noemen geen specifieke bedreigingen. Moerasranden in Zuidwest-Australië staan onder druk door ontwatering, ontginning en de afname van de winterregen.

Wetenschappelijke naam

Drosera rosulata | Lehmann, 1844

Drosera rosulata werd in 1844 beschreven door de Duitse botanicus Johann Georg Christian Lehmann, gepubliceerd in zijn werk Novarum et minus cognitarum stirpium pugillus octavus (Nov. Stirp. Pug. 8), pagina 36. De soort is endemisch in zuidwestelijk West-Australië, waar ze groeit op zandige of kleiige bodems aan de rand van moerassen. De precieze typelocatie, verzamelaar en verzameldatum van het door Lehmann gebruikte 19e-eeuwse materiaal konden niet met zekerheid worden achterhaald. Het epitheton rosulata is Latijn voor "roosvormig" of "in een rozet gegroeid" (van rosula, "kleine roos/rozet"), en verwijst beschrijvend naar de bladrozet van de plant, die een diameter van ongeveer 7 cm bereikt.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.