Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera rupicola
Drosera rupicola
De rotsbewoner onder de waaierbladige zonnedauwen van sectie Stolonifera. Drosera rupicola — 'die op rotsen woont' — groeit in leem aan de voet van de granietkoepels die in het West-Australische binnenland boven de graangordel uitsteken, en heeft iets wat zijn verwanten missen: bladschijven die over hun prooi dichtvouwen.

Herkenning
Een meerjarige knolplant met drie tot vijf half opgerichte zijstengels tot 15 cm lang, waarlangs de voor de sectie typische waaiervormige vangbladeren staan. De knol is tolvormig (turbinaat). Het opvallendste kenmerk is de beweeglijkheid van de bladschijf: die kan zich over een gevangen insect heen vouwen. Bloei van juli tot oktober. Bloemkleur en nauwkeurige maten zijn in de geraadpleegde bronnen niet vermeld.
Gelijkende soorten
Binnen sectie Stolonifera wordt D. rupicola onderscheiden door de tolvormige knol en de beweeglijke bladschijf. Drosera stolonifera, waartoe hij oorspronkelijk als ondersoort werd gerekend, maakt eveneens schuin opstijgende zijstengels, maar groeit in natte heide op de kustvlakte rond Perth en in het jarrahbos. Drosera prostrata heeft liggende stengels en groeit veel noordelijker. De standplaats bij granietrotsen in het binnenland is voor D. rupicola een sterke aanwijzing.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval met een eigen bladvorm. De bladeren zijn waaiervormig: een smalle voet die zich verbreedt tot een schijf waarvan de bovenrand bezet is met lange tentakels, soms in drie- of meertallige kransen langs de stengel. Kleine insecten die tegen die rand aanlopen of erop landen blijven aan de druppels kleven, waarna de tentakels zich over de prooi buigen en de klieren enzymen afscheiden. De opgenomen stikstof en fosfor gaan, zoals bij alle knoldragende zonnedauwen, voor een groot deel naar de knol die de plant door de zomer moet dragen. Bij D. rupicola gaat dat een stap verder dan bij de verwanten: niet alleen de tentakels, ook de bladschijf zelf beweegt en vouwt zich over de prooi, zodat meer klieren tegelijk contact maken.
Standplaats en ecologie
Leemgronden bij granietrotsen (R3), in open bosland en struweel rond die rotsen (B6). De granietkoepels van het binnenland vormen eilanden van vocht: regenwater stroomt van het kale gesteente af en verzamelt zich aan de voet, waar de bodem langer nat blijft dan op de omringende vlakte.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor West-Australië, in een groot gebied in het binnenland: van Pithara tot ten zuidoosten van Hyden. De werklijst van deze gids noemt de streek Ballidu–Hyden. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
N.G. Marchant beschreef de plant in 1982 als Drosera stolonifera subsp. rupicola; Allen Lowrie verhief haar in 2005 tot soort. Binnen de soort worden geen verdere vormen onderscheiden.
Waar en wanneer te zien
De granietrotsen van de graangordel zijn in de late winter en het voorjaar botanische hotspots; zoek van juli tot oktober in de leemzone aan de voet, waar het afstromende water de bodem nat houdt. Veel van die rotsen zijn natuurreservaat; blijf op paden, want de dunne bodemlaag rond granietkoepels herstelt zich na betreding heel langzaam.
Staat van instandhouding
Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES. Granietrotsen zijn in de verder grotendeels ontgonnen graangordel vaak de laatste stukjes natuurlijk terrein; ze staan wel onder druk door onkruid, begrazing en recreatie.
Wetenschappelijke naam
Drosera rupicola | (Marchant) Lowrie, 1982
Drosera rupicola werd in 2005 als eigenstandige soort erkend door Allen Lowrie, gepubliceerd in Nuytsia, deel 15: 382; de naam is een nieuwe combinatie, gebaseerd op het basioniem Drosera stolonifera subsp. rupicola N.G.Marchant, dat Neville Marchant in 1982 had gepubliceerd in Flora of Australia, deel 8: 384. Het holotype werd op 22 september 1971 door Neville G. Marchant verzameld bij "Murray Rock", ten oosten van Hyden, in zuidwestelijk West-Australië, op lemige bodems nabij granietrotsen; het specimen berust in het herbarium PERTH (nr. 6230954). Het epitheton rupicola is Latijn voor "rotsbewoner" (van rupes, "rots", en -cola, "bewoner van"), en verwijst rechtstreeks naar de groeiplaatsen van de soort bij granietrotsen — een beschrijvende naam.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.