Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera schizandra
Drosera schizandra
Deze soort, in het Engels 'notched sundew' of 'heart-leaf sundew', is de schaduwrijkste en meest vochtminnende van de drie 'zusters van Queensland'. Drosera schizandra groeit in de diepe ondergroei van het tropisch regenwoud van Noordoost-Queensland, op plekken waar vrijwel nooit direct zonlicht komt. Zijn brede, platte bladeren lijken meer op die van een bosplant dan op het gebruikelijke beeld van een zonnedauw, en in de natuur bloeit hij maar zelden.



Herkenning
Een platte rozet van opvallend brede, ronde tot ovale bladeren die tegen de grond of het mos aan liggen. Bij het ouder worden krijgen veel bladeren een ingesneden top, zodat ze hartvormig lijken — daaraan dankt de soort zowel de Engelse namen als de wetenschappelijke naam (schizandra verwijst naar het gespleten blad). Het blad is dun, lichtgroen tot geelgroen, met korte tentakels verspreid over het oppervlak en langere aan de rand. De plant vermeerdert zich vooral vegetatief, via spruiten uit de wortels. Betrouwbare maten uit de oorspronkelijke beschrijving waren voor deze gids niet beschikbaar; de maatvelden blijven daarom leeg.
Gelijkende soorten
Van de verwanten in de sectie Prolifera is hij het makkelijkst te herkennen. Drosera adelae heeft lange, smalle lancetbladeren; Drosera prolifera heeft kleine ronde schijfjes op lange stelen en bloeistengels die plantjes vormen; Drosera buubugujin uit Kaap York lijkt het meest op hem, maar heeft langere, slankere bladeren en wit in plaats van geelachtig stuifmeel. Geen enkele andere Australische zonnedauw heeft zulke brede, dunne, ingesneden bladeren.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval, maar een zwakke. De tentakels zijn kort en de beweging traag; het brede blad werkt vooral als een groot kleverig oppervlak waarop kleine muggen, springstaarten en andere insecten van de bosbodem blijven plakken. Het grote bladoppervlak is waarschijnlijk vooral een aanpassing aan het lage lichtniveau: het vangt zoveel mogelijk licht op, terwijl de prooi een aanvulling op de stikstof- en fosforvoorziening vormt.
Standplaats en ecologie
De diepschaduwrijke, permanente vochtige ondergroei van tropisch regenwoud (B3), vooral in de hogere, nevelrijke delen van de bergen waar het bos overgaat in mosbos (B4). De plant groeit op natte humus, bemoste bodems en langs kleine stroompjes, altijd in hoge luchtvochtigheid. Hij verdraagt geen direct zonlicht en geen uitdroging.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in de Wet Tropics van Noordoost-Queensland, waar hij een klein areaal heeft in de bergen van het regenwoud. Precieze vindplaatsen worden hier niet vermeld. Hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten onderscheiden. De soort werd in 1906 door Ludwig Diels beschreven in zijn monografie van de Droseraceae. Binnen de sectie Prolifera staat hij morfologisch het dichtst bij de in 2020 beschreven D. buubugujin. Omdat hij in het wild zelden bloeit, is het zaad weinig bekend en berust de verspreiding vooral op vegetatieve vermeerdering, wat de genetische variatie binnen populaties vermoedelijk beperkt.
Waar en wanneer te zien
Dit is een van de moeilijkst te vinden zonnedauwsoorten in Australië: hij groeit in afgelegen, steil en nat bergregenwoud. Wie hem wil zien, moet zoeken op de vochtigste, donkerste plekken langs paden die door het bergbos lopen, op de grond en tussen mos bij kleine stroompjes. Het gebied is werelderfgoed en de soort is beschermd: blijf op het pad, betreed geen natte bodem en neem niets mee.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Onder de Queenslandse natuurbeschermingswet (Nature Conservation Act) is hij als kwetsbaar (Vulnerable) aangemerkt. Het areaal is klein en beperkt tot een specifieke klimaatzone in de bergen, waardoor de soort gevoelig is voor klimaatverandering: een stijgende temperatuur en een afnemende wolkenbedekking kunnen de geschikte zone verkleinen. Illegaal verzamelen is een bijkomende bedreiging.
Wetenschappelijke naam
Drosera schizandra | Diels, 1906
Drosera schizandra werd in 1906 beschreven door de Duitse botanicus Ludwig Diels, gepubliceerd in Engler's Das Pflanzenreich, IV.112 (Droseraceae), pagina 80 (elders ook pagina 109 genoemd). De soort is endemisch in de regenwouden op de lagere hellingen van Mount Bartle Frere, in het noordoosten van Queensland, Australië, op hoogtes van 300–600 m. Ze werd voor het eerst gevonden in 1891 door een zekere St. Johnson; de precieze typelocatie en verzameldatum van het door Diels in 1906 gebruikte materiaal konden niet met zekerheid worden achterhaald. Het epitheton schizandra is samengesteld uit het Grieks schistos ("gespleten") en andros/aner ("mannelijk/meeldraad"), en verwijst naar de gespleten meeldraden (helmknoppen) van deze soort — een beschrijvende naam.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.