Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera prolifera
Drosera prolifera
Deze zonnedauw dankt zijn wetenschappelijke naam aan een ongewone gewoonte: zijn bloeistengels buigen na de bloei naar de grond en vormen aan de top nieuwe plantjes. Drosera prolifera is de tweede van de drie 'zusters van Queensland', de zonnedauwsoorten van het tropisch regenwoud van Noordoost-Queensland. Hij is er endemisch en groeit in de schaduw op natte, bemoste rotsen en oevers langs bergbeken.



Herkenning
Een kleine, vlakke rozet van bladeren met relatief lange, dunne bladstelen en een ronde tot niervormige bladschijf, die in de schaduw groen blijft en bij meer licht rood aanloopt. De tentakels bedekken de hele schijf. Het opvallendste kenmerk zijn de bloeistengels: ze dragen kleine rode bloemen, maar buigen na de bloei naar beneden, en waar de top de grond raakt ontstaan jonge rozetten die wortel schieten. Zo vormt één plant na verloop van tijd een tapijtje van rozetten. Betrouwbare maten uit de oorspronkelijke beschrijving waren voor deze gids niet beschikbaar; de maatvelden blijven daarom leeg.
Gelijkende soorten
Binnen de sectie Prolifera zijn de verschillen duidelijk. Drosera adelae heeft lange, smalle lancetvormige bladeren; Drosera schizandra heeft grote, brede, eironde bladeren met vaak een ingesneden top en vormt geen plantjes aan de bloeistengel; Drosera buubugujin uit Kaap York heeft langwerpige bladeren met een korte steel, maar kan eveneens aan de top van de bloeistengel een plantje vormen. Van de rozetzonnedauwsoorten van open terrein, zoals D. spatulata, verschilt hij door de ronde schijf op een lange steel en de schaduwrijke standplaats.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De tentakels scheiden in de vochtige lucht van het regenwoud een kleverig slijm af waarin kleine muggen, springstaarten en andere insecten van de bosbodem blijven kleven. De tentakels buigen langzaam naar de prooi en de klieren verteren haar. Omdat er in de ondergroei weinig licht is en de fotosynthese beperkt blijft, levert de vangst een belangrijk deel van de stikstof en fosfor.
Standplaats en ecologie
Permanente vochtige, schaduwrijke plekken in tropisch laagland- en heuvelregenwoud (B3): natte, bemoste rotsen en keien langs bergbeken en in de spatzone van watervallen (R1), en zandige, humeuze oevers. De luchtvochtigheid is het hele jaar hoog en direct zonlicht zeldzaam. De plant verdraagt geen uitdroging.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in de Wet Tropics van Noordoost-Queensland, waar hij een klein areaal heeft in het regenwoud ten noorden van Cairns. Precieze vindplaatsen worden hier niet vermeld. Hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten onderscheiden. De soort behoort met D. adelae, D. schizandra en D. buubugujin tot de sectie Prolifera, die door C.T. White werd ingesteld en naar deze soort is genoemd. Alle vier zijn regenwoudplanten die zich vegetatief vermeerderen, maar elk op een eigen manier; bij D. prolifera gebeurt dat via de bloeistengels.
Waar en wanneer te zien
Zoek op wandelpaden langs beken in het regenwoud, op natte, bemoste rotsen dicht bij het water. De rozetten zijn klein en groen en vallen pas op als je de glinsterende tentakels ziet; een zaklamp of het schuin invallende licht van een open plek helpt. De plant groeit in beschermd werelderfgoedgebied: blijf op het pad, klim niet over natte rotsen en neem niets mee.
Staat van instandhouding
Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); hij staat niet in CITES. Onder de Queenslandse natuurbeschermingswet (Nature Conservation Act) is hij echter als kwetsbaar (Vulnerable) aangemerkt, vanwege het kleine areaal. Het grootste deel van de populaties ligt in beschermd regenwoud; mogelijke bedreigingen zijn verstoring van de waterhuishouding, betreding van oevers en illegaal verzamelen. De soort is in cultuur goed te vermeerderen, zodat verzamelen uit het wild onnodig is.
Wetenschappelijke naam
Drosera prolifera | White, 1940
Drosera prolifera werd voor het eerst geldig beschreven door de Australische botanicus Cyril Tenison White, in het tijdschrift "The Victorian Naturalist", deel 57, pagina 95, in 1940. De soort komt voor in de regenwouden van Queensland, Australië. De precieze verzamelplaats, verzamelaar en verzameldatum van het typeexemplaar konden niet met zekerheid worden achterhaald. Het epitheton prolifera is Latijn voor "woekerend" of "zich vermeerderend" (van proles, "nakomeling", en ferre, "dragen"). Het verwijst naar de opvallende eigenschap van de plant om nieuwe rozetten te vormen op de bloeistengels of oude bladeren, waardoor de soort zich vegetatief vermenigvuldigt. Het is dus een beschrijvende naam, geen plaatsnaam of eerbetoon aan een persoon.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.