Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera capillaris
Drosera capillaris
De gewoonste zonnedauw van het zuidoosten van de Verenigde Staten, en de soort die in de natte dennensavannes van de kustvlakte het vaakst in grote aantallen staat — soms zo dicht dat de grond rood kleurt. Drosera capillaris reikt ver buiten de VS: door Mexico en Midden-Amerika, over de Grote Antillen naar het noorden van Zuid-Amerika. Het is een plant van zonnige, permanent vochtige, zure en voedselarme grond, en hij volgt nauw het ritme van brand dat die landschappen openhoudt.




Herkenning
Een overblijvende, vrij platte rozet tot ongeveer 7,5 cm breed. Elk blad heeft een dunne, schaars behaarde bladsteel met aan het eind een ronde tot spatelvormige schijf; blad inclusief steel is ongeveer 1,2 tot 2,5 cm lang. In het hart van de rozet staan franjevormige steunblaadjes. De tentakels zijn rood, de bladschijf zelf groen tot rood afhankelijk van de hoeveelheid zon. De bloemstengel is kaal, 10 tot 35 cm hoog, en draagt een eenzijdige tros van één tot zes roze, zelden witte bloemen, die één voor één opengaan. Daarna volgen eivormige zaaddozen met veel zeer klein zaad.
Gelijkende soorten
Drosera brevifolia staat vaak op dezelfde plekken, maar is kleiner, heeft wigvormige blaadjes zonder duidelijke dunne steel, geen steunblaadjes en een klierachtig behaarde bloemstengel. Jonge D. intermedia lijkt sterk op D. capillaris; het verschil zit in de bladsteel — kaal bij D. intermedia, schaars behaard bij D. capillaris — en in de bloemen, die bij D. intermedia wit zijn en bij D. capillaris meestal roze. D. intermedia staat bovendien vaak rechtop en natter, soms zelfs half onder water. In de Caraïben en Zuid-Amerika lijken ook D. communis en verwante soorten erop; daar is determinatie een zaak van bloem- en zaadkenmerken.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De rode tentakels op de bladschijf dragen elk een druppel suikerachtig, kleverig slijm; een insect dat erin landt, blijft vastzitten. De aangeraakte tentakels buigen naar de prooi, de omringende volgen, en bij grotere vangst krult ook de bladschijf zelf naar binnen. Daarna wordt de prooi door enzymen uit de klieren verteerd en worden stikstof en fosfor opgenomen. De vangst bestaat vooral uit kleine vliegen, muggen, mieren en springstaarten.
Standplaats en ecologie
Natte, zure, zandige tot venige grond in open dennensavannes en vlakke dennenbossen (B6), in kwelmoerassen en venige laagtes (W4), en in natte bermsloten en greppels (H1). Vaak ligt er een ondoorlatende kleilaag onder het zand, die het water vasthoudt en bomen weert. De soort is aangepast aan regelmatige brand: na een brand kiemen massaal nieuwe planten op de kale, zonnige grond. Zonder brand of ander beheer groeien de plekken dicht en verdwijnt hij.
Verspreiding en hoogte
Het zuidoosten van de Verenigde Staten, van Virginia, Maryland en Delaware zuidwaarts tot Florida en westwaarts tot Texas, Tennessee en Arkansas; verder in Mexico, Midden-Amerika (onder meer Belize, Honduras, Nicaragua, Costa Rica en Panama), op de Grote Antillen (Cuba, Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico) en Trinidad, en in het noorden van Zuid-Amerika tot in Colombia, Venezuela, de Guyana's en Brazilië, met opgaven tot in Paraguay en Uruguay. Een betrouwbaar gepubliceerd hoogtebereik voor de soort als geheel ontbreekt.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten erkend, al zijn in de loop der tijd verschillende namen voor kleinere of anders gekleurde vormen gegeven die nu als synoniemen gelden. De soort varieert sterk in grootte en kleur: in de volle zon zijn de planten compact en dieprood, in de schaduw groter, groener en losser. Witbloeiende planten komen incidenteel voor. De verwantschap met de Zuid-Amerikaanse soorten van dezelfde groep is nog in onderzoek.
Waar en wanneer te zien
Mei tot en met augustus, na voorkeur op een zonnige ochtend als de bloemen openstaan. Het rijkst zijn savannes die in het afgelopen jaar of twee gebrand hebben. Zoek laag, tussen de grassen en op kale plekken; waar de rozetten in duizenden staan, lijkt de grond rood bestoven. Veel groeiplaatsen liggen in staatsbossen en natuurterreinen aan de Golfkust en in de Carolina's; blijf op de paden en neem nooit planten mee.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Over het hele areaal is hij talrijk en niet bedreigd, maar aan de randen van het Amerikaanse deel is hij zeldzaam, onder meer in Arkansas, Maryland en Tennessee. De grootste bedreigingen zijn dezelfde als voor alle bewoners van de dennensavannes: het verdwijnen van het habitat door bosbouw, landbouw en bebouwing, ontwatering, en het onderdrukken van natuurlijke branden.
Wetenschappelijke naam
Drosera capillaris | Poiret, 1804
Beschreven door Jean Louis Marie Poiret in 1804, in "Encyclopédie méthodique. Botanique", deel 6, nr. 1, p. 299. De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. De soort komt voor in het zuiden van de Verenigde Staten, de Grote Antillen, Mexico, Midden-Amerika en het noorden van Zuid-Amerika. Van het Latijnse capillaris ("haarachtig") — verwijst vermoedelijk naar de fijne, draadachtige vangharen die kenmerkend zijn voor het geslacht, of naar de slanke bladvorm.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.