Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera capillaris

Drosera capillaris

De gewoonste zonnedauw van het zuidoosten van de Verenigde Staten, en de soort die in de natte dennensavannes van de kustvlakte het vaakst in grote aantallen staat — soms zo dicht dat de grond rood kleurt. Drosera capillaris reikt ver buiten de VS: door Mexico en Midden-Amerika, over de Grote Antillen naar het noorden van Zuid-Amerika. Het is een plant van zonnige, permanent vochtige, zure en voedselarme grond, en hij volgt nauw het ritme van brand dat die landschappen openhoudt.

Drosera capillaris
Foto: Alex Abair — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera capillaris — de bloem
De bloem · Foto: Bob Peterson from North Palm Beach, Florida, Planet Earth! — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera capillaris — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: gailhampshire from Cradley, Malvern, U.K — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera capillaris — de standplaats
De standplaats · Foto: sonnia hill — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een overblijvende, vrij platte rozet tot ongeveer 7,5 cm breed. Elk blad heeft een dunne, schaars behaarde bladsteel met aan het eind een ronde tot spatelvormige schijf; blad inclusief steel is ongeveer 1,2 tot 2,5 cm lang. In het hart van de rozet staan franjevormige steunblaadjes. De tentakels zijn rood, de bladschijf zelf groen tot rood afhankelijk van de hoeveelheid zon. De bloemstengel is kaal, 10 tot 35 cm hoog, en draagt een eenzijdige tros van één tot zes roze, zelden witte bloemen, die één voor één opengaan. Daarna volgen eivormige zaaddozen met veel zeer klein zaad.

Gelijkende soorten

Drosera brevifolia staat vaak op dezelfde plekken, maar is kleiner, heeft wigvormige blaadjes zonder duidelijke dunne steel, geen steunblaadjes en een klierachtig behaarde bloemstengel. Jonge D. intermedia lijkt sterk op D. capillaris; het verschil zit in de bladsteel — kaal bij D. intermedia, schaars behaard bij D. capillaris — en in de bloemen, die bij D. intermedia wit zijn en bij D. capillaris meestal roze. D. intermedia staat bovendien vaak rechtop en natter, soms zelfs half onder water. In de Caraïben en Zuid-Amerika lijken ook D. communis en verwante soorten erop; daar is determinatie een zaak van bloem- en zaadkenmerken.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De rode tentakels op de bladschijf dragen elk een druppel suikerachtig, kleverig slijm; een insect dat erin landt, blijft vastzitten. De aangeraakte tentakels buigen naar de prooi, de omringende volgen, en bij grotere vangst krult ook de bladschijf zelf naar binnen. Daarna wordt de prooi door enzymen uit de klieren verteerd en worden stikstof en fosfor opgenomen. De vangst bestaat vooral uit kleine vliegen, muggen, mieren en springstaarten.

Standplaats en ecologie

Natte, zure, zandige tot venige grond in open dennensavannes en vlakke dennenbossen (B6), in kwelmoerassen en venige laagtes (W4), en in natte bermsloten en greppels (H1). Vaak ligt er een ondoorlatende kleilaag onder het zand, die het water vasthoudt en bomen weert. De soort is aangepast aan regelmatige brand: na een brand kiemen massaal nieuwe planten op de kale, zonnige grond. Zonder brand of ander beheer groeien de plekken dicht en verdwijnt hij.

Verspreiding en hoogte

Het zuidoosten van de Verenigde Staten, van Virginia, Maryland en Delaware zuidwaarts tot Florida en westwaarts tot Texas, Tennessee en Arkansas; verder in Mexico, Midden-Amerika (onder meer Belize, Honduras, Nicaragua, Costa Rica en Panama), op de Grote Antillen (Cuba, Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico) en Trinidad, en in het noorden van Zuid-Amerika tot in Colombia, Venezuela, de Guyana's en Brazilië, met opgaven tot in Paraguay en Uruguay. Een betrouwbaar gepubliceerd hoogtebereik voor de soort als geheel ontbreekt.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 225 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten erkend, al zijn in de loop der tijd verschillende namen voor kleinere of anders gekleurde vormen gegeven die nu als synoniemen gelden. De soort varieert sterk in grootte en kleur: in de volle zon zijn de planten compact en dieprood, in de schaduw groter, groener en losser. Witbloeiende planten komen incidenteel voor. De verwantschap met de Zuid-Amerikaanse soorten van dezelfde groep is nog in onderzoek.

Waar en wanneer te zien

Mei tot en met augustus, na voorkeur op een zonnige ochtend als de bloemen openstaan. Het rijkst zijn savannes die in het afgelopen jaar of twee gebrand hebben. Zoek laag, tussen de grassen en op kale plekken; waar de rozetten in duizenden staan, lijkt de grond rood bestoven. Veel groeiplaatsen liggen in staatsbossen en natuurterreinen aan de Golfkust en in de Carolina's; blijf op de paden en neem nooit planten mee.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Over het hele areaal is hij talrijk en niet bedreigd, maar aan de randen van het Amerikaanse deel is hij zeldzaam, onder meer in Arkansas, Maryland en Tennessee. De grootste bedreigingen zijn dezelfde als voor alle bewoners van de dennensavannes: het verdwijnen van het habitat door bosbouw, landbouw en bebouwing, ontwatering, en het onderdrukken van natuurlijke branden.

Wetenschappelijke naam

Drosera capillaris | Poiret, 1804

Beschreven door Jean Louis Marie Poiret in 1804, in "Encyclopédie méthodique. Botanique", deel 6, nr. 1, p. 299. De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. De soort komt voor in het zuiden van de Verenigde Staten, de Grote Antillen, Mexico, Midden-Amerika en het noorden van Zuid-Amerika. Van het Latijnse capillaris ("haarachtig") — verwijst vermoedelijk naar de fijne, draadachtige vangharen die kenmerkend zijn voor het geslacht, of naar de slanke bladvorm.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.