Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera sewelliae

Drosera sewelliae

Een dwergzonnedauw van West-Australië, in 1904 beschreven door de Duitse botanicus Ludwig Diels, de grote systematicus van het geslacht rond 1900. Over Drosera sewelliae zijn in de voor deze gids toegankelijke bronnen weinig bijzonderheden te vinden; deze tekst is daarom korter dan gebruikelijk en beperkt zich tot wat vaststaat.

Drosera sewelliae
Foto: Hugo Innes — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een dwergzonnedauw met de voor de groep typische bouw: een rozetje van gesteelde, ronde bladschijfjes met tentakels rond een knop van steunblaadjes, waaruit een dunne bloeiwijze opstijgt. Bloemkleur, bloeitijd en maten van blad en bloem zijn in de geraadpleegde bronnen niet vermeld; alle maatvelden blijven daarom leeg. Voor een betrouwbare beschrijving zijn Diels' oorspronkelijke beschrijving (1904) en Lowrie's handboek (2013) de aangewezen bronnen.

Gelijkende soorten

Zonder gepubliceerde kenmerken kan hier geen betrouwbaar onderscheid met verwante dwergzonnedauwen worden gegeven. In het veld is een loep en een actuele sleutel, zoals die in Lowrie (2013), onmisbaar; let bij dwergzonnedauwen in het algemeen op de vorm en kleur van de stipelknop, de beharing van de bloemstengel en de vorm van de stempels.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op miniatuurschaal. Elk bladschijfje, vaak niet groter dan een speldenknop tot enkele millimeters, draagt aan de rand en op de bovenzijde gesteelde klieren met een glinsterende, kleverige druppel; de randtentakels zijn meestal het langst. Een diertje dat de druppels raakt blijft vastzitten, waarna de tentakels zich naar het midden van het schijfje buigen en de prooi tegen de verterende klieren drukken. De klieren scheiden enzymen af en nemen stikstof, fosfor en mineralen op uit wat oplost. Door het formaat bestaat de vangst uit het allerkleinste: springstaarten, mijten, bladluizen, trips en minuscule muggen die over of vlak boven de zandbodem bewegen.

Standplaats en ecologie

Nadere standplaatsgegevens zijn in de geraadpleegde bronnen niet vermeld. De toegekende codes — zand en open heide (D1, B5) — geven de meest gangbare omgeving van Zuidwest-Australische dwergzonnedauwen weer en zijn een voorlopige inschatting, geen gepubliceerde waarneming.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Zuidwest-Australië. Een nadere begrenzing van het areaal is in de toegankelijke bronnen niet gevonden. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Beschreven door Ludwig Diels in 1904. De soort wordt geplaatst in sectie Lamprolepis, de dwergzonnedauwen. Er worden geen ondersoorten of variëteiten onderscheiden. Zoals vrijwel alle dwergzonnedauwen vormt zij waarschijnlijk broedknoppen, maar dat is voor deze soort in de geraadpleegde bronnen niet specifiek vastgelegd.

Waar en wanneer te zien

Zonder betrouwbare gegevens over bloeitijd en vindplaatsen is gericht zoeken lastig. Raadpleeg vóór een bezoek FloraBase of een plaatselijke plantenvereniging. Voor alle dwergzonnedauwen geldt: de beste kans is een zonnige ochtend in de late winter of het voorjaar, op je knieën in open zand tussen de struiken — en daar vooral niet op staan.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES. Nadere gegevens over populaties of bedreigingen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gevonden.

Wetenschappelijke naam

Drosera sewelliae | Diels, 1904

Drosera sewelliae werd in 1904 beschreven door Ludwig Diels, gepubliceerd in Botanische Jahrbücher für Systematik, deel 35: 206. De soort komt van nature slechts op een zeer klein gebied voor in het uiterste zuidwesten van West-Australië; de enige bekende populatie bevindt zich bij Chittering Valley. Het materiaal werd verzameld door een zekere "Miss Sewell". De exacte typelocatie en de datum van verzameling konden niet met zekerheid worden achterhaald. Dit is een eponiem: Diels vernoemde de soort naar "Miss Sewell", de verzamelaarster van de plant. Haar voornaam wordt zelfs in Diels' oorspronkelijke beschrijving niet genoemd en kon niet met zekerheid worden achterhaald.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.